Bronnen

Heidelbergse Catechismus

Catechismus · Zondag 44 van 52

Zondag 44

Het tiende gebod en het gebruik van de wet

113

Wat eischt van ons het tiende gebod?

Dat ook de minste lust of gedachte tegen eenig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome, maar dat wij ten allen tijde van ganscher harte aller zonden vijand zijn en lust tot alle gerechtigheid hebben.

114

Maar kunnen degenen, die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomenlijk houden?

Neen zij; maar ook de allerheiligsten zoolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid; doch alzoo, dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar alle de geboden Gods beginnen te leven.

115

Waarom laat ons dan God alzoo scherpelijk de tien geboden prediken, zoo ze toch niemand in dit leven houden kan?

Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langer hoe meer leeren kennen, en des te begeeriger zijn, om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.