Bronnen

Heidelbergse Catechismus

Catechismus · Zondag 26 van 52

Zondag 26

De heilige doop

Van den Heiligen Doop.

69

Hoe wordt gij in den Heiligen Doop vermaand en verzekerd, dat de eenige offerande van Christus, aan het kruis geschied, u ten goede komt?

Alzoo, dat Christus dit uitwendig waterbad ingezet en daarbij toegezegd heeft, dat ik zoo zekerlijk met zijn bloed en Geest van de onreinigheid mijner ziele, dat is, van alle mijne zonden, gewasschen ben, als ik uitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid des lichaams pleegt weg te nemen, gewasschen ben.

70

Wat is dat, met het bloed en den Geest van Christus gewasschen te zijn?

Het is vergeving der zonden van God uit genade te hebben om des bloeds van Christus wille, hetwelk Hij in zijne offerande aan het kruis voor ons uitgestort heeft; daarna ook, door den Heiligen Geest vernieuwd en tot lidmaten van Christus geheiligd te zijn, opdat wij hoe langer hoe meer der zonden afsterven, en in een Godzalig, onstraffelijk leven wandelen.

71

Waar heeft ons Christus toegezegd, dat Hij ons zoo zekerlijk met zijn bloed en Geest wasschen wil, als wij met het Doopwater gewasschen worden?

In de inzetting des Doops, welke alzoo luidt: Gaat dan henen, onderwijst alle de volkeren, hen doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; Matth. 28:19. En: Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden; Marc. 16:16. Deze belofte wordt ook herhaald, waar de Schrift den Doop het bad der wedergeboorte en de afwassching der zonden noemt; Tit. 3:5; Hand. 22:16.