Bronnen

Heidelbergse Catechismus

Catechismus · Zondag 18 van 52

Zondag 18

De hemelvaart

46

Wat verstaat gij daarmede: Opgevaren ten hemel?

Dat Christus voor de oogen zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven, en dat Hij ons ten goede daar is, totdat Hij wederkomt om te oordeelen de levenden en de dooden.

47

Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft?

Christus is waarachtig mensch en waarachtig God. Naar zijne menschelijke natuur is Hij niet meer op aarde; maar naar zijne Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.

48

Maar zoo de menschheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden?

Ganschelijk niet; want dewijl de Godheid door niets kan ingesloten worden en overal tegenwoordig is, zoo moet volgen, dat zij wel buiten hare aangenomene menschheid is, en nochtans niettemin ook in haar is en persoonlijk met haar vereenigd blijft.

49

Wat nut ons de hemelvaart van Christus?

Ten eerste, dat Hij in den hemel voor het aangezicht zijns Vaders onze Voorspreker is. Ten andere, dat wij ons vleesch in den hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons zijne lidmaten ook tot zich zal nemen. Ten derde, dat Hij ons zijnen Geest tot een tegenpand zendt, door wiens kracht wij zoeken dat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods, en niet dat op de aarde is.