Catechismus · Zondag 35 van 52
Zondag 35
Het tweede gebod
Wat eischt God in het tweede gebod?
Dat wij God in geenerlei wijze afbeelden, en op geene andere wijze vereeren, dan Hij in zijn Woord bevolen heeft.
1Jes. 40:18, 19, 25
18Bij wien dan zult gij God vergelijken, of wat gelijkenis zult gij op Hem toepassen? 19De werkmeester giet een beeld, en de goudsmid overtrekt het met goud, en giet er zilveren ketenen toe. 25Bij wien dan zult gijlieden Mij vergelijken, dien Ik gelijk zij? zegt de Heilige.
Jesaja 40 lezen2Deut. 4:15, 16
15Wacht u dan wel voor uw zielen; want gij hebt geen gelijkenis gezien, ten dage als de HEERE op Horeb uit het midden des vuurs tot u sprak; 16Opdat gij u niet verderft, en maakt u iets gesnedens, de gelijkenis van enig beeld, van mannelijk of vrouwelijk gedaante,
Deuteronomium 4 lezen3Rom. 1:23
23En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten.
Romeinen 1 lezen4Hand. 17:29
29Wij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat de Godheid goud, of zilver, of steen gelijk zij, welke door mensenkunst en bedenking gesneden zijn.
Handelingen 17 lezen51 Sam. 15:23
23Want wederspannigheid is een zonde der toverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst. Omdat gij des HEEREN woord verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat gij geen koning zult zijn.
1 Samuël 15 lezen6Deut. 12:30
30Wacht u, dat gij niet verstrikt wordt achter hen, nadat zij voor uw aangezicht zullen verdelgd zijn; en dat gij niet vraagt naar hun goden, zeggende: Gelijk als deze volken hun goden gediend hebben, alzo zal ik ook doen.
Deuteronomium 12 lezen7Matth. 15:9
9Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn.
Mattheüs 15 lezenMag men dan ganschelijk geene beelden maken?
God kan noch mag in geenerlei wijze afgebeeld worden. Maar de schepselen, al is het dat zij mogen afgebeeld worden, zoo verbiedt toch God, hunne beeltenis te maken en te hebben, om die te vereeren, of God daardoor te dienen.
1Jes. 40:25
25Bij wien dan zult gijlieden Mij vergelijken, dien Ik gelijk zij? zegt de Heilige.
Jesaja 40 lezen3Exodus 23:24
24Gij zult u voor hun goden niet buigen, noch hen dienen; ook zult gij naar hun werken niet doen; maar gij zult ze geheel afbreken, en hun opgerichte beelden ganselijk vermorzelen.
Exodus 23 lezen4Exodus 34:13
13Maar hun altaren zult gijlieden omwerpen, en hun opgerichte beelden zult gij verbreken, en hun bossen zult gij afhouwen.
Exodus 34 lezen5Num. 33:52
52Zo zult gij alle inwoners des lands voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en al hun beeltenissen verderven; ook zult gij al hun gegotene beelden verderven, en al hun hoogten verdelgen.
Numeri 33 lezenMaar zoude men de beelden in de kerken als boeken der leeken niet mogen dulden?
Neen; want wij moeten niet wijzer zijn dan God, dewelke zijne Christenen niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging zijns Woords wil onderwezen hebben.
1Jer. 10:8
8In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden.
Jeremia 10 lezen2Hab. 2:18, 19
18Wat zal het gesneden beeld baten, dat zijn formeerder het gesneden heeft? of het gegoten beeld, hetwelk een leugenleraar is, dat de formeerder op zijn formeersel vertrouwt, als hij stomme afgoden gemaakt heeft? 19Wee dien, die tot het hout zegt: Word wakker! en: Ontwaak! tot den zwijgenden steen. Zou het leren? Ziet, het is met goud en zilver overtrokken, en er is gans geen geest in het midden van hetzelve.
Habakuk 2 lezen3Rom. 10:14, 15, 17
14Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt? 15En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen! 17Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.
Romeinen 10 lezen42 Petr. 1:19
19En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uw harten.
2 Petrus 1 lezen52 Tim. 3:16, 17
16Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; 17Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.
2 Timotheüs 3 lezen