Bronnen

Heidelbergse Catechismus

Catechismus · Zondag 40 van 52

Zondag 40

Het zesde gebod

105

Wat eischt God in het zesde gebod?

Dat ik mijnen naaste noch met gedachten, noch met woorden of eenig gebaar, veel minder met de daad, door mijzelven of door anderen onteere, hate, kwetse of doode; maar dat ik alle wraakgierigheid aflegge; ook mijzelven niet kwetse of moedwilliglijk in eenig gevaar begeve; waarom ook de Overheid het zwaard draagt om den doodslag te weren.

106

Maar dit gebod schijnt alleen van het doodslaan te spreken?

God, verbiedende den doodslag, leert ons, dat Hij den wortel des doodslags, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid, haat en zulks alles voor eenen doodslag houdt.

107

Maar is het genoeg, dat wij onzen naaste, zooals tevoren gezegd is, niet dooden?

Neen; want God, verbiedende den nijd, haat en toorn, gebiedt, dat wij onzen naaste liefhebben als onszelven, en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijne schade, zooveel als ons mogelijk is, afkeeren, en ook onzen vijanden goed doen.