Bronnen

Heidelbergse Catechismus

Catechismus · Zondag 4 van 52

Zondag 4

Gods rechtvaardigheid

9

Doet dan God den mensch niet onrecht, dat Hij in zijne wet van hem eischt, wat hij niet doen kan?

Neen Hij; want God heeft den mensch alzoo geschapen, dat hij dat konde doen; maar de mensch heeft zichzelven en alle zijne nakomelingen, door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd.

10

Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?

Neen Hij, geenszins; maar Hij vertoornt zich schrikkelijk beide over de aangeborene en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwiglijk straffen; gelijk Hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgene geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.

11

Is dan God ook niet barmhartig?

God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig; daarom zoo eischt zijne gerechtigheid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is, met de eeuwige straf aan lichaam en ziele gestraft worde.