Bronnen

Voorbeeld der Goddelijke Waarheden

Hellenbroek · Hoofdstuk 6 van 20

Hoofdstuk 6

Van de voorzienigheid

1

Houdt dan nu God op van alle werk omtrent de schepselen?

Neen; daar is nog een gedurig werk der Goddelijke voorzienigheid. Joh. 5 : 17. Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook.

2

In hoeveel daden bestaat Gods voorzienigheid?

In drie: in onderhouding, medewerking en regeering.

3

Wat is de onderhouding?

Die almachtige kracht Gods, waardoor Hij alles doet blijven in zijn wezen. Hebr. 1 : 3. Die alle dingen draagt door het woord zijner kracht.

4

Wat is Gods medewerking?

Die almachtige kracht Gods, waardoor Hij medewerkende invloeit in alle bewegingen en werkingen der schepselen. 1 Cor. 12 : 6. Het is dezelfde God, die alles in allen werkt.

5

Wat is de regeering Gods?

Die almachtige kracht Gods, waardoor Hij alles bestuurt tot een zeker bepaald einde. Ps. 93 : 1. De HEERE regeert.

6

Waarover gaat de voorzienigheid Gods?

Over alle dingen. Eph. 1 : 11. Die alle dingen werkt naar den raad van zijnen wil.

7

Ook over kleine dingen?

Ja. Matth. 10 : 30. En ook de haren uws hoofds zijn alle geteld.

8

Strekt dat niet tot oneer van God, zich met zulke kleine dingen te bemoeien?

Neen; 1. dewijl het Hem geen oneer is, die te hebben geschapen, 2. omdat Hij er ook geen grooter dingen om behoeft te verzuimen, 3. en Hij er ook dikwijls groote zaken door uitvoert.

9

Gaat Gods voorzienigheid ook over dingen, die bij geval gebeuren?

Ja. Spreuk. 16 : 33. Het lot wordt in den schoot geworpen, maar het geheele beleid daarvan is van den Heere.

10

Geschiedt er dan niets bij geval?

Niet ten opzichte van God, maar wel ten opzichte van ons.

11

Gaat Gods voorzienigheid ook omtrent onzen dood en ons leven?

Ja; de tijd daarvan is ook bij God bepaald. Job 14 : 5. Dewijl zijne dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijne bepalingen gemaakt hebt die hij niet overgaan zal.

12

Kan dan een mensch zijn leven niet verlengen of verkorten?

Niet ten opzichte van God, maar wel naar den mensch.

13

Is dan het gebruik van alle middelen om te leven niet onnut?

Neen; die heeft God mede besloten als middel tot dat einde; en Hij geeft ook den mensch den wil om ze te gebruiken.

14

Gaat Gods voorzienigheid ook over de allervrijste dingen?

Ja, zelfs over de gedachten. Spreuk. 21 : 1. Des konings hart is in de hand des Heeren als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.

15

Neemt dat des menschen vrijheid niet weg?

Neen; die besturing is geen dwang, maar eene gewillige neiging.

16

Gaat Gods voorzienigheid ook omtrent de zonde?

Ja; Hij laat die toe, bepaalt en bestuurt ze tot een zeker einde. Gen. 50 : 20. Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht.

17

Werkt God de zonde zelve niet?

Neen; een heilig God kan geen oorzaak zijn van iets zondigs. Hij haat en straft de zonde.

18

Werkt God dan het goede?

Ja. 2 Cor. 3 : 5. Niet dat wij van ons zelven bekwaam zijn iets te denken als uit ons zelven; maar onze bekwaamheid is uit God.

19

Geeft God daartoe maar eens en voor altijd krachten, of moet Hij invloeien tot elke bijzondere daad?

Hij moet invloeien tot elke bijzondere daad, daartoe opwekkende en medewerkende. Phil. 2 : 13. Het is God die in u werkt beide het willen en het werken, naar zijn welbehagen.

20

Waartoe is de leer der voorzienigheid nuttig?

Zij leert Gods volk in tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar, en voor het toekomende vertrouwend te zijn.