Bronnen

Voorbeeld der Goddelijke Waarheden

Hellenbroek · Hoofdstuk 3 van 20

Hoofdstuk 3

Van God

I. In het algemeen

1

Wat is God?

Een volmaakte en oneindige Geest. Joh. 4 : 24. God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.

2

Hoe kan dat zijn, dewijl Hem oogen, ooren, handen en andere lichaamsdeelen worden toegeschreven in de H. Schrift?

Dat moet alles oneigenlijk verstaan worden van hoedanigheden in God, die met het gebruik der menschelijke deelen eenige overeenkomst hebben.

3

Waarin moet God al gekend worden?

I. In zijn Wezen. II. In zijne Namen. III. In zijne Eigenschappen. IV. In zijne Personen.

4

Mag men God ook een Wezen toeschrijven?

Ja, doch niet in een lichamelijken zin. Spr. 8 : 14. Raad en het Wezen zijn mijne.

5

Hoeveel Goden zijn er?

Eén God. 1 Tim. 2 : 5. Want daar is één God, daar is ook één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus.

6

Nochtans spreekt God in het eerste gebod zelf van andere goden. Ex. 20 : 3?

Niet die het inderdaad zijn, maar die er van menschen toe gemaakt en voor gehouden worden. 1 Cor. 8 : 5, 6. Want hoewel daar ook zijn, die goden genaamd worden, nochtans hebben wij maar eenen God.

II. Van Gods namen

1

Heeft God ook namen noodig, gelijk de menschen?

Neen; want Hij heeft niemand Hem gelijk.

2

Waarom dragen dan de menschen eigenlijk namen?

Om hen van anderen, die hun gelijk zijn, te onderscheiden.

3

Waarom worden God dan namen toegeschreven?

I. Om Hem van de afgoden te onderscheiden. II. Om daardoor ook iets van Hem aan ons bekend te maken.

4

Hebben dan al de namen Gods eenige beteekenis?

Ja.

5

Welke zijn zijne twee gewoonste namen?

De naam God en de naam Heere.

6

Is de naam God niet maar een naam van een ambt of bediening?

Neen; maar een naam van het Wezen Gods zelf. Hij is van nature God, in tegenstelling van de afgoden.

7

Nochtans wordt de naam van God ook aan engelen en overheden gegeven?

Dan wordt die buiten zijn eigenlijke beteekenis oneigenlijk overgebracht.

8

Welke is Gods allergrootste naam?

De naam Jehova of HEERE.

9

Kan die wel aan eenig schepsel gegeven worden?

Neen. Jes. 42 : 8. Ik ben de Heere, dat is mijn naam, en mijne eer zal Ik geenen anderen geven, noch mijnen lof den gesneden beelden.

10

Is die naam dan zoo groot van beteekenis?

Ja, hij beteekent het zelf-zijn, de onveranderlijkheid en getrouwheid van God. Ex. 3 : 14. Ik zal zijn die Ik zijn zal.

11

Mag men Christus wel Jehova noemen?

Ja; omdat Hij ook waarachtig God is.

III. Van Gods eigenschappen

1

Zijn Gods eigenschappen iets van God onderscheiden?

Neen, zij zijn God zelf; daarom wordt Hij genoemd het Licht, 1 Joh. 1 : 5; het Leven, de Waarheid, de Liefde, 1 Joh. 4 : 8; de Heiligheid zelve; zweren bij zijne heiligheid en zweren bij zich zelven is één. Amos 4 : 2, vergel. met Hebr. 6 : 13.

2

Zijn Gods eigenschappen ook verscheiden, en onderscheiden van elkander?

Niet in God; want in Hem is alles maar ééne oneindige volmaaktheid; maar alleen naar onze manier van bevatten en naar de verscheidene uitlatingen van Gods volmaaktheid omtrent de schepselen.

3

Hoe worden dus Gods eigenschappen gewoonlijk onderscheiden?

In onmededeelbare en mededeelbare eigenschappen.

4

Welke zijn de onmededeelbare?

De onafhankelijkheid, de eenvoudigheid, de eeuwigheid, de overaltegenwoordigheid en de onveranderlijkheid Gods.

5

Waarom noemt gij die onmededeelbaar?

Omdat er geene de minste gelijkheid van is in eenig schepsel.

6

Wat is de onafhankelijkheid Gods?

Dat Hij is van zich zelven; en bestaat door zich zelven.

7

Wat is de eenvoudigheid Gods?

Dat alles in God één is, zonder samenstelling van verscheidene deelen of zaken.

8

Wat is de eeuwigheid Gods?

Dat Hij is 1. Zonder eenig begin. 2. Zonder eenig vervolg of onderscheid van tijd. 3. Zonder einde. Psalm 90 : 2. Van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt gij God.

9

Behoort tot Gods eeuwigheid ook, dat er bij Hem geen vervolg van tijd is?

Ja; want één dag is bij den Heere als duizend jaren, en duizend jaren als één dag.

10

Waar is God?

Overaltegenwoordig. Jer. 23 : 23, 24. Ben Ik een God van nabij, spreekt de Heere, en niet een God van verre? vervul Ik niet den hemel en de aarde, spreekt de Heere?

11

Moet men dat alleen van zijne werkingen, of ook van zijn Wezen verstaan?

Ook van zijn Wezen, dat van zijne werkingen niet kan worden afgescheiden, dewijl Hij werkt door zijn Wezen.

12

Waarom wordt God dan zoo bijzonder gezegd in den hemel te zijn?

Omdat Hij dáár zijne heerlijkheid meer vertoont dan elders.

13

Is God veranderlijk of onveranderlijk?

Onveranderlijk. Mal. 3:6. Ik de Heere word niet veranderd.

14

Nochtans wordt aan God berouw toegeschreven Gen. 6 : 6.

Dat berouw is in God maar eene verandering in zijn werk; niet in zijn wil en Wezen zelf.

15

Hem wordt ook verandering van plaats toegeschreven, dat Hij nederdaalt, ergens komt en weder weg gaat. Gen. 11 : 5?

Dat is maar eene verandering in de meerdere of mindere vertooning van zijne tegenwoordigheid, niet in zijne wezenlijke tegenwoordigheid zelve.

16

Welke zijn de mededeelbare eigenschappen?

Die worden gewoonlijk genoemd: Gods wetenschap, wil en macht, zijne goedheid, genade, barmhartigheid en lankmoedigheid.

17

Waarom worden die mededeelbaar genoemd?

Omdat er eenige verre gelijkheid van dezelve is in de schepselen, hoewel ze ook, zooals zij in God zijn, oneindig en onmededeelbaar zijn.

18

Wat is de wetenschap Gods?

Die volmaaktheid Gods, waardoor Hij op de volmaaktste wijze van eeuwigheid in zich alles weet. Hand. 15 : 18. Gode zijn alle zijne werken van eeuwigheid bekend.

19

Waarover gaat Gods wetenschap?

Over alle dingen: en zoo is Hij alwetend. 1 Joh. 3 : 20. God is meerder dan ons hart en Hij kent alle dingen.

20

Weet God alle toekomende en gebeurlijke dingen?

Ja. Ps. 139 : 2. Gij weet mijn zitten en mijn opstaan. Gij verstaat van verre mijne gedachten.

21

Voorweet God die uit kracht van een voorgaand besluit of door eene zoogenaamde middelkennis?

Uit kracht van zijn besluit, en onder eene zekerheid van hare toekomendheid.

22

Hoe wordt Gods wil onderscheiden?

In eenen wil van Gods besluit en eenen wil des gebods, of anders eenen verborgen en geopenbaarden wil.

23

Wat is de wil van Gods besluit?

Gods eeuwig voornemen, naar hetwelk Hijzelf alles doet in den tijd. Eph. 1 : 11. Hij werkt alle dingen naar den raad zijns willens.

24

Wat is de wil van Gods gebod, of zijn geopenbaarde wil?

Dien Hij ons tot een regel voorschrijft in zijn Woord, en dien Hij van ons wil gedaan hebben. Rom. 12 : 2. Opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehaaglijke en volmaakte wille Gods zij.

25

Naar welke van die twee moeten wij ons gedragen?

Naar den wil des bevels; want de wil des besluits is ons onbekend. Deut. 29 : 29. De verborgene dingen zijn voor den HEERE onzen God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen tot in eeuwigheid om te doen al de woorden dezer Wet.

26

Wat is Gods rechtvaardigheid?

Die volmaaktheid Gods, waardoor Hij alle zonden haat en straft.

27

Moet God alle zonden noodzakelijk straffen?

Ja. Rom. 1 : 32. Dewelke, daar zij het recht Gods weten (namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn).

28

Ligt dan God onder dwang?

Neen, dat moeten is in God een allergenegenst willen.

29

Kan God van dat recht niet wat afstaan?

Neen; dan zou Hij zichzelven verloochenen, want zijne rechtvaardigheid is ook God zelf. Exod. 34 : 6 en 7. Heere, Heere, God! die (den schuldige) geenszins onschuldig houdt.

30

Wel, immers vergeeft God de schuld en straf der zonde aan de geloovigen?

Dan is Gods rechtvaardigheid al in Christus voldaan; die heeft voor hen de straf gedragen.

31

Hoedanig is Gods macht?

Eene almacht. Matth. 19 : 26. Bij God zijn alle dingen mogelijk.

32

Kan God dan ook wel sterven, zondigen enz.?

Neen, dat zou eene onmacht zijn, en geenszins eene macht.

33

Wat is Gods goedheid?

In het algemeen: zijne beminnelijkheid omtrent zijne schepselen. Ps. 4 : 7, 8. Bijzonder de uitlatingen zijner weldadigheid en liefde omtrent de menschen, bovenal zijne gunstgenooten.

34

Wat is Gods genade?

Die goedheid Gods, waardoor Hij zonder inzicht van des menschen waardigheid hem weldoet.

35

Hoe velerlei genade is er?

Zij is of algemeen omtrent allen. Matth. 5 : 45. Of bijzonder en zaligmakend omtrent de uitverkorenen alleen. Rom. 3 : 24. En die wederom voorkomende, inwerkende en achtervolgende genade.

36

Wat is Gods barmhartigheid?

Die goedheid Gods omtrent den ellendigen, uitverkoren zondaar, waardoor Hij hem dagelijks weder herstelt in den genadestaat door den Middelaar Jezus.

37

Wat is Gods lankmoedigheid?

Die goedheid Gods, waardoor Hij de welverdiende straf uitstelt, om de uitverkorenen tot bekeering te brengen, en de verworpenen te overtuigen.

38

Wat is Gods hoogheid?

Gods oppergezag boven alle schepselen.

IV. Van de drie Personen

1

Hoeveel personen zijn er in het Goddelijk Wezen?

Drie: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

2

Mag men het Woord „Drieëenheid" wel gebruiken?

Ja; het is schriftuurlijk. 1 Joh. 5 : 7. Deze drie zijn één.

3

Mag men ook het woord „personen" hier gebruiken?

Ja; dat beteekent hier hetzelfde met het woord zelfstandigheid. Hebr. 1 : 3. Het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid.

4

Kan de Heilige Drieëenheid wel bewezen worden uit de natuur?

Neen; maar alleen uit de Heilige Schrift, want zij is eene verborgenheid, wel niet tegen, maar nochtans boven de natuur.

5

Hoe bewijst men de Drieëenheid uit de H. Schrift?

I. Uit het Oude Testament. II. Uit het Nieuwe Testament.

6

Hoe uit het Oude Testament?

1. Uit teksten, waar God van zichzelven in het meerder getal spreekt. Gen. 1 : 26. 2. Uit teksten, waar God en God, Heere en Heere worden onderscheiden. Ps. 45 : 8. Daarom heeft U, o God! uw God gezalfd. Ps. 110 : 1. De Heere heeft tot mijnen Heer gesproken. 3. Uit teksten, waar de drie Personen uitdrukkelijk genoemd en onderscheiden worden. Ps. 33 : 6. Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest zijns monds al hun heir.

7

Hoe bewijst gij de Drieëenheid uit het Nieuwe Testament?

1 Joh. 5 : 7. Drie zijn er die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de H. Geest; en deze drie zijn één. Ook in onzen doop. Matth. 28 : 19. Gaat dan henen, onderwijst alle volkeren, dezelve doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Ook toen Christus gedoopt werd. Matth. 3. De Zoon werd gedoopt, de Vader sprak uit den hemel en de Geest Gods kwam nederdalen gelijk een duif.

8

Waarin zijn de drie Personen dan één?

In wezen.

9

Waarin zijn zij drie?

In Personen.

10

Zijn zij dan als Personen onderscheiden?

Ja, door hunne personeele eigenschappen of wijze van bestaan.

11

Welke is de personeele eigenschap van den Vader?

Dat Hij als Vader is van zichzelven.

12

Welke is de personeele eigenschap van den Zoon?

Dat Hij gegenereerd is van den Vader. Ps. 2 : 7. Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.

13

Welke is de personeele eigenschap van den H. Geest?

Dat Hij uitgaat van den Vader en van den Zoon. Joh. 15 : 26. De Geest der waarheid, die van den Vader uitgaat.

14

Waarom noemt gij dat personeele eigenschappen en niet wezenlijke?

Omdat zij niet aan het geheele Wezen, maar elk alleen aan één persoon eigen zijn.

15

Wanneer is de Zoon van den Vader gegenereerd?

Van eeuwigheid. Spr. 8 : 24. Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren.

16

Hoe staat er dan Ps. 2 : 7: Heden heb ik U gegenereerd?

In God is niet dan een eeuwig en onveranderlijk heden.

17

Is dan de Zoon de eigen en natuurlijke Zoon van God?

Ja. Joh. 1 : 18. De eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is.

18

Waarom wordt de tweede Persoon dan eigenlijk Gods Zoon genaamd?

Omdat de Vader van eeuwigheid tot eeuwigheid hetzelfde Goddelijk Wezen aan den Zoon mededeelt.

19

Is Hij dan niet eerst Gods Zoon geworden door zijne geboorte uit Maria of door zijn Middelaarsambt?

Neen; Hij was al vooraf Gods Zoon. Gal. 4 : 4. Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet.

20

Gaat de H. Geest alleen uit van den Vader?

Neen; maar ook van den Zoon. Daarom wordt hij genoemd de Geest van Christus, Rom. 8 : 9, en de Geest des Zoons.

21

Is de H. Geest niet maar eene kracht of eigenschap Gods?

Neen; Hij is een dadelijk Persoon, hebbende verstand en wil. Want de geest onderzoekt alle dingen. 1 Cor. 2 : 10 en 12 : 11. Deelende een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil. Hij is ook verschenen in den doop van Christus.

22

Is Hij ook een onderscheiden persoon?

Ja; Hij wordt uitdrukkelijk een ander genoemd. Joh. 14 : 16. Ik zal den Vader bidden en Hij zal u eenen anderen Trooster geven.

23

Waaruit bewijst men, dat de Zoon en de H. Geest zoowel God zijn als de Vader?

1. Uit hunne goddelijke namen. 2. Uit hunne goddelijke eigenschappen. 3. Uit hunne goddelijke werken. 4. Uit hunne goddelijke eer.

24

Bewijs eens dat er goddelijke namen gegeven worden aan den Zoon?

1. De naam Heere of Jehova. Jer. 23 : 6. De Heere onze gerechtigheid. 2. De naam God. 1 Joh. 5 : 20. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven.

25

Bewijs eens dat de naam van God gegeven wordt aan den H. Geest.

Hand. 5 : 3, 4. Waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den H. Geest liegen zoudt? Gij hebt den menschen niet gelogen, maar Gode.

26

Bewijs eens een Goddelijke eigenschap van den Zoon?

De eeuwigheid. Micha 5:1. Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.

27

Bewijs eens eene goddelijke eigenschap van den H. Geest?

De overaltegenwoordigheid. Ps. 139 : 7. Waar zoude ik henengaan voor uwen Geest?

28

Welke Goddelijke werken worden hun toegeschreven?

De schepping en onderhouding van alles. Ps. 33 : 6. Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt en door den Geest zijns monds al hun heir.

29

Welke Goddelijke eer komt hun toe?

In hunnen naam gedoopt te worden, in hen te gelooven, en hen te aanbidden. 2 Cor. 13 : 13. De genade van den Heere Jezus Christus, en de liefde Gods en de gemeenschap des H. Geestes, zij met u allen, Amen.

30

Is deze leer noodig tot zaligheid?

Ja; omdat men daardoor God recht leert kennen en verzoening zoeken met den Vader als rechter in de voldoening van den Zoon, door de werking van den H. Geest.