Bronnen

Voorbeeld der Goddelijke Waarheden

Hellenbroek · Hoofdstuk 11 van 20

Hoofdstuk 11

Van den Middelaar des verbonds

1

Wie is de Middelaar van dit verbond?

De Heere Jezus Christus. 1 Tim. 2 : 5. Daar is één God, daar is ook één Middelaar Gods en der menschen de mensch Christus Jezus.

2

Is Hij een Middelaar alleen van tusschenspraak of ook van verzoening?

Ook van verzoening; want, zoo volgt er in dienzelfden tekst: Die zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen.

3

Is onze Jezus de ware Middelaar of Messias, die komen moest?

Ja; omdat in Hem alles vervuld is, wat van den Messias voorzegd was.

4

Is Hij op den rechten tijd gekomen?

Ja. 1. Eer de schepter van Juda nog was geweken, en de wetgever van tusschen zijne voeten, volgens Gen. 49 : 10. Terwijl de tweede tempel nog stond, volgens Hag. 2 : 10. En toen de zeventig weken ten einde liepen, volgens Dan. 9 : 24.

5

Waarin moet de Middelaar al gekend worden?

1. In zijne namen. 2. In zijne ambten. 3. In zijne naturen. 4. In zijne staten en 5. In zijne weldaden.

I. Van den naam Jezus

1

Welke zijn zijne meest gewone namen?

Die zijn twee: Jezus en Christus, de eerste een Hebreeuwsche, de tweede een Grieksche naam.

2

Wat is Jezus te zeggen?

Zaligmaker. Matth. 1 : 21. Gij zult zijnen naam heeten Jezus, want Hij zal zijn volk zalig maken van hunne zonden.

3

Wat is zalig maken?

Iemand te verlossen van het hoogste kwaad en te brengen tot het hoogste goed.

4

Waardoor doet Hij dat?

Door verdienste en toepassing.

5

Heeft Christus de zaligheid verdiend?

Ja. Hij is ons eene oorzaak der eeuwige zaligheid geworden.

6

Past Hij ze ook den zijnen metterdaad toe?

Ja. Joh. 10 : 28. Ik geef hun het eeuwige leven.

7

Kan dit verdienen en toepassen niet van elkander gescheiden worden?

Neen; alleen voor wie Hij de zaligheid verdient, dien past Hij ze ook zekerlijk toe. Jes. 53 : 11. Door zijne kennis zal mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hunne ongerechtigheden dragen.

8

Hangt die toepassing niet af van ons zelven?

Neen; maar van die krachtdadige bewerking der goddelijke genade.

II. Van den naam Christus

1

Wat is Christus te zeggen?

Gezalfde.

2

Hoe is die naam in het Hebreeuwsch?

Messias. Joh. 1 : 42. Wij hebben gevonden den Messias, hetwelk is, overgezet zijnde, de Christus.

3

In hoeveel dingen bestaat zijne zalving?

In twee: in zijne verordineering en in zijne bekwaammaking tot zijn Middelaarsambt.

4

Wie heeft Hem verordineerd en bekwaam gemaakt?

God de Vader.

5

Wanneer is die verordineering geschied?

Van eeuwigheid. Spr. 8 : 23. Ik ben van eeuwigheid af gezalfd.

6

Naar welke natuur is Hij verordineerd?

En naar zijne Godheid, èn naar zijne menschheid.

7

Wanneer is Hij bekwaam gemaakt?

In de volheid des tijds.

8

Naar welke natuur?

Naar zijne menschelijke, want in de Goddelijke natuur kan geen bekwaammaking plaats hebben.

9

Waarom wordt zijn verordineering eene zalving genoemd?

Omdat onder het Oude Testament menschen door zalving tot zekere ambten werden ingehuldigd en verordineerd.

10

Waarom wordt ook zijne bekwaammaking eene zalving genoemd?

Omdat God bij die zalvingen ook wel aan de zoodanigen bekwaamheden instortte tot die ambten.

11

Waarmede is Christus gezalfd of bekwaam gemaakt?

Met den H. Geest. Hand. 10 : 38. Belangende Jezus van Nazareth, hoe Hem God gezalfd heeft met den H. Geest en met kracht.

12

Welke gaven van dien Geest zijn Hem bijzonder medegedeeld?

Wijsheid, macht en heiligheid.

13

Waarin betoonde Hij zijne wijsheid?

In zijn leeren.

14

Waarin zijne macht?

In zijne wonderwerken. Luc. 24 : 19. Een profeet, krachtig in werken en woorden.

15

Waarin bestond zijne heiligheid?

Daarin, dat Hij geene zonde had.

16

Had Hij geene erfzonde?

Neen. Luk. 1 : 35. Dat Heilige, dat uit u geboren zal worden.

17

Had Hij ook geene dadelijke zonden?

Neen. Joh. 8 : 46. Wie van u overtuigt Mij van zonde?

18

Moest Hij geene zonden hebben?

Neen; want die zelf een zondaar was, kon niet voor anderen betalen. Hebr. 7 : 26. Zoodanig een Hoogepriester betaamde ons, heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren.

III. Van zijne Ambten

1

Tot hoeveel ambten is Hij gezalfd?

Tot drie: tot Profeet, tot Priester en tot Koning.

2

Was Hij in die ambten in het Oude Testament ook reeds afgebeeld?

Ja, door gezalfde profeten, priesters en koningen.

3

Waren alle drie die ambten in Hem noodzakelijk?

Ja.

4

Waarom moest Hij Profeet zijn?

Om onze onwetendheid te verlichten.

5

Waarom Priester?

Om onze schuld te verzoenen.

6

Waarom Koning?

Om ons uit de dienstbaarheid des duivels en der zonde te verlossen.

A. Van zijn Profetisch Ambt

1

Was Hij ook als Profeet beloofd?

Ja. Deut. 18 : 15. Een profeet, uit het midden van u, uit uwe broederen als mij, zal u de Heere, uw God, verwekken; naar Hem zult gij hooren.

2

Wat doet Hij als Profeet?

Hij leert ons.

3

Wat leert Hij ons?

Den weg der zaligheid.

4

Waardoor leert Hij ons?

Uitwendig door zijn Woord en inwendig door zijnen Geest.

5

Was Christus al Profeet onder het O. Testament?

Ja; de profeten in dien tijd hebben ook gesproken door den Geest van Christus, die in hen was.

6

Heeft Hij ook in eigen persoon geleerd?

Ja, toen Hij in het vleesch hier op aarde was.

7

Is Hij nu nog Profeet na zijne hemelvaart?

Ja, nu leert Hij door herders en leeraars, die Hij gegeven heeft.

8

Houdt Hij dan nu op zelf te leeren?

Door zijnen Geest heeft Hij zelf altijd en alleen geleerd, en zoo doet Hij nog.

B. Van zijn Priesterambt

1

Was Hij ook als Priester beloofd?

Ja. Ps. 110 : 4. Gij zijt Priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek.

2

Wat wil dat zeggen?

1. Dat Hij is alleen Priester; 2. dat Hij is eeuwig Priester.

3

Wat doet Hij als Priester?

Offeren en bidden.

4

Wat heeft Hij geofferd?

Zich zelven. Hebr. 9 : 14. Die door den eeuwigen Geest zich zelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft.

5

Wanneer is die offerande geschied?

In zijn gansche lijden, doch bijzonder aan het kruis. 1 Petr. 2 : 24. Die zelf onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft op het hout.

6

Aan wien heeft Hij zich opgeofferd?

Aan zijnen Vader.

7

Voor wie heeft Hij zich opgeofferd?

Voor alle uitverkorenen.

8

Is zijne offerande een ware offerande van verzoening geweest?

Ja. Hebr. 10 : 14. Want met ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.

9

Wat is zijne voorbidding?

Dat Hij zijne verdiensten gedurig voordraagt aan den Vader, en daarop eischt de zaligheid van de zijnen. Joh. 17 : 24. Vader! Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij mij gegeven hebt.

10

Waar bidt Hij dus?

In den hemel. Rom. 8 : 34. Die ook ter rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt.

11

Voor wie?

Alleen voor de uitverkorenen. Joh. 17 : 9. Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt.

12

Is er meer dan één Middelaar van voorbidding?

Neen. 1 Joh. 2:1, 2a. Wij hebben éénen voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige, en Hij is eene verzoening voor onze zonden.

13

Zijn dan de engelen of heiligen ook niet onze voorbidders in den hemel?

Neen; want die kennen onze nooden niet; kunnen onze gebeden niet hooren, en hebben ook voor ons niet voldaan, waarop zij zouden kunnen eischen.

C. Van zijn Koninklijk Ambt

1

Was Christus ook als Koning beloofd?

Ja. Ps. 2:6. Ik toch heb mijnen Koning gezalfd over Sion, den berg mijner heiligheid.

2

Wat doet Hij als Koning?

Zijn volk regeeren en beschermen.

3

Waardoor regeert Hij hen?

Door zijn Woord en Geest.

4

Tegen wie beschermt Hij hen?

Tegen hunne geestelijke en lichamelijke vijanden.

5

Is Hij een aardsch Koning?

Neen; een geestelijk en hemelsch Koning. Joh. 18 : 36. Mijn koninkrijk is niet van deze wereld.

6

Was Hij ook reeds Koning onder het Oude Testament?

Ja; toen heeft Hij als Koning zijne kerk ook al wetten gegeven en beschermd.

7

Voor hoelang is Hij Koning?

Tot in eeuwigheid. Luk. 1 : 33. Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn tot in eeuwigheid, en zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.

8

Waarom worden de geloovigen Christenen genaamd?

Omdat zij Christus' zalving deelachtig zijn.

IV. Van zijne naturen

1

Hoeveel naturen heeft Christus?

Twee naturen: eene goddelijke en eene menschelijke natuur. 1 Tim. 3 : 16. God is geopenbaard in het vleesch.

2

Was dat ook voorzegd?

Ja. Jes. 9 : 5. Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en men noemt zijnen naam Wonderlijk, Raad, sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst.

3

Is Hij waarachtig God?

Ja. 1 Joh. 5 : 20. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven.

4

Welke van de drie personen is Hij dan naar zijne Godheid?

De tweede persoon, de Zoon. Gal. 4 : 4. Wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit eene vrouw.

5

Is Hij ook waarachtig mensch?

Ja. 1 Tim. 2:5. De mensch Christus Jezus.

6

Uit hoeveel deelen bestaat zijne menschheid?

Uit twee: uit ziel en lichaam.

7

Is zijne Godheid niet in de plaats van zijne ziel geweest?

Neen; want Hij heeft in zijne ziel geleden. Matth. 26 : 38. Mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood toe.

8

Waarom moest hij God wezen?

Om de menschelijke natuur tot het doordragen van Gods oneindigen toorn te ondersteunen, en eene oneindige waardij aan zijne verdiensten toe te brengen.

9

Waarom moest Hij mensch wezen?

Om te kunnen lijden en sterven.

10

Zijn die twee naturen in Christus vereenigd?

Ja, tot eenigheid des persoons.

11

Hoe is die vereeniging geschied?

Door aanneming van de menschelijke natuur tot den goddelijken persoon. Phil. 2 : 7. Hij heeft de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen.

12

Is dan de Godheid niet veranderd in de menschheid?

Neen; Hij bleef God.

13

Nochtans staat er Joh. 1 : 14: Het woord is vleesch geworden?

Alle worden sluit geene wezenlijke verandering in. Gal. 3 : 13. Christus is een vloek geworden, zonder nochtans in een vloek te veranderen.

14

Zijn die twee naturen niet vermengd tot een?

Neen; het blijven twee naturen ook na de vereeniging.

15

Zijn dan de twee naturen ook twee personen?

Neen, maar één persoon.

16

Zijn er geene eigenschappen van de Godheid overgegaan in de menschheid?

Neen; iedere natuur behoudt hare onderscheidene eigenschappen.

V. Van zijne staten

1

Hoeveel staten moet men in Christus onderscheiden?

Twee; een staat van vernedering en een staat van verhooging. Ps. 110 : 7. Hij zal op den weg uit de beek drinken; daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen. Verg. Phil. 2 : 5—11.

2

Waren die beide noodzakelijk?

Ja; in den staat der vernedering moest Hij de zaligheid verdienen en in den staat der verhooging moest Hij ze toepassen.

3

Welke zijn de trappen van zijne vernedering?

1. Zijne nederige geboorte. 2. Zijn lijden. 3. Zijn dood. 4. Zijne begraving. 5. Zijne nederdaling ter hel.

4

Welke zijn de trappen van zijne verhooging?

1. Zijne opstanding. 2. Zijne hemelvaart. 3. Zijne zitting ter rechterhand Gods. 4. Zijne wederkomst ten oordeel.

Van de trappen der vernedering

A. Zijne nederige geboorte

1

Uit wie is Hij geboren?

Uit de maagd Maria. Jes. 7 : 14. Ziet eene maagd zal zwanger worden en zij zal eenen Zoon baren, en gij zult zijnen naam IMMANUEL heeten.

2

Van wien is Hij ontvangen?

Door de kracht des H. Geestes. Luc. 1 : 35. De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen, daarom ook, dat Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.

3

Is Hij ook uit haar vleesch en bloed geboren?

Ja. Gal. 4 : 4. Geworden uit eene vrouw.

4

Heeft Hij zijne menschelijke zelfstandigheid of vleesch en bloed niet medegebracht uit den hemel?

Neen; hij heeft haar hier eerst uit Maria aangenomen.

5

Nochtans staat er, dat dezelfde, die opgevaren is, eerst is nedergedaald. Efeze 4 : 9, 10?

Dezelfde persoon, doch niet naar dezelfde natuur; naar zijne menschheid is Hij opgevaren, maar naar zijne Godheid is Hij nedergedaald, zich openbarende in het vleesch.

6

Waar is Hij geboren?

Te Bethlehem. Micha 5 : 1. Gij Bethlehem Efrata! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? uit u zal Mij voortkomen, die een Heerscher zal zijn in Israël. De vervulling van deze voorzegging leest men in de geschiedenis van zijne geboorte.

B. Zijn lijden

1

Moest ook Christus lijden?

Ja; dat was voorzegd.

2

Hoe lang heeft dat lijden geduurd?

Van het begin zijns levens tot aan zijnen dood toe.

3

Waarin heeft Hij geleden?

In ziel en lichaam.

4

Heeft Hij al terstond na zijne geboorte geleden?

Ja: de smartelijke besnijdenis op den achtsten dag.

5

Waarom is Christus besneden?

Onder anderen, opdat Hij het teeken van Abrahams zaad zou hebben.

6

Is er nog meer lijden gevolgd?

Ja; eene arme en geringe opvoeding, en eindelijk een leven vol haat, smaad en vervolging zijner vijanden.

7

Wanneer is zijn lijden meest verzwaard?

Op het einde van zijn leven; men kan de omstandigheden lezen Matth. 26 en 27.

8

Onder welken rechter heeft Hij toen geleden?

Onder Pontius Pilatus.

C. Zijn dood

1

Welken dood is Hij gestorven?

Den dood des kruises. Fil. 2:8. Hij is gehoorzaam geworden tot den dood, ja, den dood des kruises. Zie Matth. 27 : 31—50 en de andere Evangelisten.

2

Was zijn kruisdood ook voorzegd?

Ja. Ps. 22 : 17. Zij hebben mijne handen en voeten doorgraven. Verg. Joh. 3 : 14, 15.

3

Had die dood ook eenige verzwarende omstandigheden?

Ja; het was 1. een smadelijke, 2. een smartelijke, 3. een vervloekte dood.

4

Waarom is hij zulk een vervloekten dood gestorven?

Om ons van den vloek te verlossen. Gal. 3 : 13. Christus heeft ons verlost van den vloek der Wet, een vloek geworden zijnde voor ons, want daar is geschreven: vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt.

5

Waar is Christus gekruist?

Op den berg Golgotha, tusschen twee moordenaars.

6

Was zijn dood ook een noodzakelijk gedeelte van zijn lijden?

Ja; dewijl de dood als een straf op de zonde gedreigd was, en Hij alle straf moest wegnemen.

D. Zijne begraving

1

Wie hebben Christus begraven?

Jozef van Arimathéa en Nicodemus.

2

Waar?

In een nieuw graf, dat in een rotssteen uitgehouwen was.

3

Waarom is Hij begraven?

Om ons te verzekeren, dat Hij waarlijk gestorven was.

4

Was ook zijne begraving voorzegd?

Ja. Jes. 53 : 9. Men heeft zijn graf bij de goddeloozen gesteld, en Hij is bij de rijken in zijnen dood geweest.

E. Zijne nederdaling ter hel

1

Wat is zijne nederdaling ter hel?

Dat Hij helsche angsten in zijne ziel geleden heeft.

2

Wanneer heeft Hij die geleden?

Bijzonder in den hof Gethsémané en aan het kruis.

3

Wat klaagde Hij in Gethsémané?

Mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood toe.

4

Wat aan het kruis?

Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten!

5

Is Hij dan in de hel zelve niet geweest?

Neen; want terwijl Hij dood was, was zijn lichaam in het graf, en zijne ziel in den hemel. Luc. 23 : 43. Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.

6

Is dan zijn nederdaling ter hel al geschied vóór zijn dood?

Ja; onder het lijden van zijn lichaam.

7

Was dat lijden van zijne ziel ook noodzakelijk?

Ja; omdat wij ook in onze ziel gezondigd hebben.

F. Van het oogmerk zijner vernedering. Zijne voldoening

1

Heeft Christus in dien staat van vernedering ook voldaan aan de Goddelijke rechtvaardigheid?

Ja.

2

Waarin bestaat zijne voldoening?

In twee deelen: 1. In het doen van de wet. 2. In het lijden van de straf.

3

Behoort het doen of gehoorzamen van de wet mede tot de voldoening?

Ja. Rom. 5 : 19. Door de gehoorzaamheid van éénen zijn velen tot rechtvaardigen gesteld.

4

Behoort het lijden van de straf ook tot de voldoening?

Ja. Jes. 53 : 5. De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem.

5

Was het lijden van de straf alleen niet genoeg, om voor ons te verdienen of te voldoen?

Neen; het lijden van de straf kon wel bevrijden van straf, maar geen recht geven tot het eeuwige leven; dat was alleen beloofd op het doen van de wet: doet dat en gij zult leven.

6

Was er eene voldoening noodzakelijk?

Ja. 1. Uit kracht van Gods rechtvaardigheid, die geene zonde ongestraft of onvoldaan vergeven kan. 2. Uit kracht van zijn waarheid, die zich alleszins zoo verklaard had.

7

Is door de voldoening eene volstrekte verzoening teweeggebracht, of maar alleen eene mogelijkheid om zalig te worden verdiend?

Daarin is eene dadelijke, volstrekte en personeele verzoening geschied. 1 Joh. 2 : 2a. En Hij is eene verzoening voor onze zonden. Verg. Luc. 18 : 12b.

8

Voor wie heeft Christus voldaan?

Alleen voor de uitverkorenen.

9

Is Hij dan niet gestorven voor alle menschen?

Neen; maar alleen voor zijn volk. Matth. 1 : 21. Voor zijne schapen. Joh. 10 : 11. Voor zijne gemeente.

10

Hoe moet men het dan verstaan als Christus meermalen gezegd wordt, gestorven te zijn voor de wereld, en voor alle menschen?

Daardoor moet men verstaan, of al de uitverkorenen in de wereld, of de wereld der heidenen, benevens de Joden, nu onder het Nieuwe Testament, of allerlei soort van menschen.

11

Wat heeft deze voldoening uitgewrocht?

1. God is nu verzoend met den uitverkoren zondaar. 2. En hij ontvangt het recht ten leven.

12

Heeft een ieder grond om te gelooven, dat Jezus voor Hem voldaan heeft?

Neen; maar die alleen, die Hem aannemen als de verdienende, werkende, bewegende en voorbeeldige oorzaak van hun geestelijk leven.

Van den staat en de trappen der verhooging

A. Zijne opstanding

1

Moest Christus ook uit den dood opstaan?

Ja. Ps. 16 : 10. Gij zult mijne ziel in de hel niet verlaten. Gij zult niet toelaten, dat uw Heilige de verderving zie. Vergel. Hand. 2 : 25—31.

2

Welke zekerheid hebben wij dat Hij is opgestaan?

1. Het getuigenis van de Engelen en wachters. 2. Velerlei verschijningen van den Heere Jezus aan de vrouwen en discipelen.

3

Ligt er ook in zijne opstanding nuttigheid?

Ja, onze geestelijke en lichamelijke opstanding en eene verzekering, dat Hij in alles voldaan heeft. Rom. 4 : 25. Hij is overgeleverd om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.

4

Door Wiens kracht is Hij opgestaan?

Door zijns Vaders en door zijne eigene goddelijke kracht, zijnde door Zijnen Vader opgewekt en door zich zelven opgestaan.

5

Op den hoeveelsten dag is Hij opgewekt?

Ten derden dage na zijnen dood.

6

Door wien was dat afgebeeld?

Door Jona, die drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvisch; alzoo zou ook de Zoon des menschen drie dagen en drie nachten zijn in het hart der aarde.

7

Op welken dag is Hij begraven, en op welken dag opgestaan?

Op Vrijdagavond begraven en Zondagmorgen opgestaan.

8

Dit zijn immers geen drie geheele dagen en nachten?

De gedeelten der dagen moeten voor het geheel genomen worden. Vergel. Luc. 24 : 21b.

9

Wie hebben deel aan Christus' opstanding?

Die de kracht van Christus' opstanding kennen Phil. 3 : 10.

B. Zijne hemelvaart

1

Hoeveel dagen bleef Christus na zijne opstanding nog op aarde?

Nog veertig dagen.

2

Waartoe dat?

1. Om de zekerheid van zijne opstanding zoo veel te meer te doen blijken. 2. Om zijne discipelen nog van eenige dingen nader te onderwijzen.

3

Welke trap van verhooging volgde toen?

Zijn hemelvaart.

4

Was die ook voorzegd?

Ja. Ps. 68 : 19. Gij zijt opgevaren in de hoogte.

5

Zijn daar ook getuigen van geweest?

Ja; de engelen en de discipelen van den Zaligmaker.

6

Was die hemelvaart ook noodig?

Ja. 1. Om als Koning te gaan heerschen. 2. Om als Voorbidder te gaan bidden. 3. Om ook de zijnen daar eens tot zich te nemen.

7

Van waar is Christus opgevaren?

Van den Olijfberg buiten Jeruzalem.

8

Waar naar toe is Christus opgevaren?

Naar den derden hemel. Eph. 4 : 10. Hij is opgevaren boven alle hemelen.

9

Op wat wijze is Hij opgevaren?

Waarlijk, zichtbaar en plaatselijk.

10

Is dan zijne menschheid door zijne hemelvaart niet overalomtegenwoordig geworden?

Neen. Matth. 26 : 11. De armen hebt gij altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd.

11

Wie kunnen zich met Christus' hemelvaart troosten?

Die met Christus zijn opgewekt, enz.

C. Zijne zitting ter rechterhand Gods

1

Was het ook voorzegd, dat Christus aan de rechterhand Gods zou zitten?

Ja. Ps. 110 : 1. De HEERE heeft tot mijnen Heere gesproken: Zit aan mijne rechterhand.

2

Is dat ook in Jezus vervuld?

Ja; Stefanus zag Hem staande ter rechterhand Gods.

3

Wat is zijn zitten aan Gods rechterhand?

Dat Hij verhoogd is tot alle macht en heerlijkheid. Hebr. 1 : 3. Hij is gezeten aan de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen.

4

Moet men dat dan niet eigenlijk verstaan?

Neen; want God, die een Geest is, heeft eigenlijk geen rechterhand.

5

Welke nuttigheid is er in deze verheerlijking?

Ps. 68 : 19. Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te deelen onder de menschen; ja ook de wederhoorigen om bij U te wonen, o Heere God!