Bronnen

Voorbeeld der Goddelijke Waarheden

Hellenbroek · Hoofdstuk 5 van 20

Hoofdstuk 5

Van de schepping

1

Voert God zijne besluiten ook uit?

Ja Hij, in der tijd, door zijne werken.

2

Hoe velerlei zijn Gods werken in der tijd?

Tweeërlei; zijne werken in de natuur en zijne werken in de genade.

3

Hoe velerlei zijn zijne werken in de natuur?

Ook tweeërlei: het werk der schepping en het werk der voorzienigheid.

4

Wat is scheppen?

Door de almachtige daad van eenen enkelen wil iets voortbrengen. Openb. 4:11. Door uwen wil zijn ze en zijn ze geschapen.

5

Wie is de Schepper van alles?

De Drieëenige God. Gen. 1:1. In den beginne schiep God den hemel en de aarde.

6

Wanneer heeft Hij alles geschapen?

In den beginne.

7

Waaruit is alles geschapen?

Uit niets. Rom. 4 : 17. En roept de dingen, die niet zijn alsof ze waren.

8

Waar leest men de geschiedenis van de schepping?

Genesis 1.

9

In hoeveel tijd schiep God alles?

Ten opzichte van de stof in één oogenblik, en ten opzichte van de verdere schikking in zes dagen.

10

Zijn ook de engelen geschapen?

Ja. Ps. 104 : 4. Hij maakt zijne engelen geesten.

11

Wat zijn engelen?

Gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen.

12

Wanneer zijn zij geschapen?

Waarschijnlijk op den eersten dag, want toen de aarde nederzonk op hare grondvesten, toen zongen de morgensterren al te zamen vroolijk, en de kinderen Gods juichten.

13

Hoe schiep God de engelen, goed of kwaad?

Goed, want God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet het was zeer goed.

14

Zijn zij allen goed gebleven?

Neen; daar is een deel afgevallen, en zijn duivelen in de hel geworden.

15

Wie waren de eerste menschen?

Adam en Eva.

16

Waaruit schiep God Adam?

Uit het stof der aarde.

17

Waaruit Eva?

Uit een rib van Adams lijf.

18

Uit hoeveel deelen bestaat de mensch?

Uit twee: uit ziel en lichaam.

19

Werd dan hunne ziel daaruit ook geschapen?

Neen; die kwam onmiddellijk van God, die blies er een levende ziel in.

20

Wat is de ziel?

Een onsterfelijke geest, waardoor wij leven en rede gebruiken.

21

Wat deed God op den zevenden dag?

Hij rustte en heiligde denzelven.

22

Was God dan vermoeid van scheppen?

Neen. De Schepper van de einden der aarde wordt noch moede noch mat.

23

Wat is het dan te zeggen, dat Hij rustte?

Dat Hij ophield met scheppen.

24

Waartoe heeft God de wereld geschapen?

De Heere heeft alles gewrocht om zijns zelfs wil; dat is, tot zijne heerlijkheid.