Bronnen

Voorbeeld der Goddelijke Waarheden

Hellenbroek · Hoofdstuk 20 van 20

Hoofdstuk 20

Van des menschen uiterste

1

Zal de mensch altijd leven?

Neen. Hebr. 9 : 27. Het is den mensch gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel.

2

Sterft dan al wat aan den mensch is?

Neen; de ziel is onsterfelijk. Matth. 10 : 28. Vreest niet voor degenen, die het lichaam dooden, en de ziel niet kunnen dooden.

3

Hoeveel wegen zijn er voor de zielen na den dood?

Maar twee: hel of hemel. Matth. 7 : 13, 14. Wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan; want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden.

4

Gaan de zielen daar aanstonds heen na den dood?

Ja; gelijk blijkt in Lazarus en den rijken man. De rijke man hief zijne oogen op in de hel, en Lazarus werd gedragen in Abrahams schoot.

5

Is er geen vagevuur?

Neen. Openb. 14 : 13. Zalig zijn de dooden, die in den Heere sterven, van nu aan. De moordenaar ging zonder vagevuur aanstonds naar den hemel. Luc. 23 : 43. Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.

I. Van de opstanding

1

Zal er eene wederopstanding zijn?

Ja: beide der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen.

2

Wanneer?

Ten jongsten dage.

3

Wie zal ze opwekken?

God.

4

Zullen ook de goddeloozen opstaan?

Ja; de ure komt, in welke allen, die in de graven zijn, zijne stem zullen hooren, en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.

5

Met welke lichamen zullen de menschen opstaan?

Met dezelfde lichamen; anders was het geene opstanding, maar een nieuwe schepping. Zoo verwachtte Job ook. Ik weet, mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan: en als zij na mijne huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vleesch God aanschouwen; denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijne oogen zien zullen, en niet een vreemde.

6

Is dat wel mogelijk?

Ja; bij God zijn alle dingen mogelijk; het scheen nog veel onmogelijker de wereld uit niet te scheppen.

7

Zullen de lichamen dan niet veranderd zijn?

Niet in hun wezen, maar alleen in hoedanigheden.

8

In welke hoedanigheden?

Dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.

II. Van het laatste oordeel

1

Wat zal er op de opstanding volgen?

Het laatste oordeel.

2

Zal er een laatste oordeel wezen?

Ja. Hand. 17 : 31. Daarom dat Hij (God) eenen dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem rechtvaardig zal oordeelen, door eenen Man, dien Hij daartoe verordineerd heeft.

3

Wie zal dan rechter zijn?

Christus, onze Zaligmaker, die daar zichtbaar in zijne menschelijke natuur verschijnen zal.

4

Waar zal dat oordeel wezen?

Op de wolken des hemels. Matth. 26 : 64b. Van nu aan zult gij zien den Zoon des menschen, zittende ter rechterhand der kracht Gods en komende op de wolken des hemels.

5

Wanneer?

Van dien dag en die ure weet niemand.

6

Wie zullen daar geoordeeld worden?

Alle menschen. 2 Cor. 5 : 10. Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.

7

In hoeveel hoopen zullen daar de menschen worden afgedeeld?

In twee hoopen, in goddeloozen en rechtvaardigen.

8

Waar zal Christus die zetten?

De goddeloozen aan zijne linker- en de rechtvaardigen aan zijne rechterhand.

9

Wat zal Hij tot de goddeloozen zeggen?

Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is.

10

Wat zal Hij tot de rechtvaardigen zeggen?

Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.

III. Van het eeuwige leven

1

Wat zal er op dat oordeel volgen?

Het eeuwige leven of de eeuwige verdoemenis.

2

Waar zal de verdoemenis zijn?

In de hel. Luc. 16 : 23. En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in de hel zijne oogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre en Lazarus in zijnen schoot.

3

Hoe lang?

Eeuwig. Matth. 25 : 46. En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn.

4

Zal dan de verdoemenis niet maar eene vernietiging zijn van den geheelen mensch, of met den tijd eindigen?

Neen; het zal een straf zijn van gevoel en zonder einde. Marc. 9 : 44. Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgebluscht wordt.

5

Waar zal het eeuwige leven zijn?

In den hemel. Luc. 6 : 23. Uw loon is groot in den hemel.

6

Hoe lang?

Ook eeuwig. Matth. 25 : 46. De rechtvaardigen zullen gaan in het eeuwige leven.

7

Waarin zal dat bestaan?

In een eeuwig genieten van God met volmaaktheid en vreugde. Ps. 16 : 11. Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde is bij uw aangezicht; liefelijkheden zijn in uwe rechterhand, eeuwiglijk.