Bronnen

Voorbeeld der Goddelijke Waarheden

Hellenbroek · Hoofdstuk 15 van 20

Hoofdstuk 15

Van het geloof

1

Hoe velerlei geloof is er?

Vierderlei: een historisch geloof, een tijdgeloof, een geloof der wonderen en een waar zaligmakend geloof.

2

Wat is een historisch geloof?

Eene bloote toestemming aan eene gekende waarheid.

3

Is dat geen goed geloof?

Ja; het is noodzakelijk, doch niet genoeg. Jac. 2 : 19. Gij gelooft, dat God een eenig God is; gij doet wel: de duivelen gelooven het ook, en zij sidderen.

4

Wat is het tijdgeloof?

Een toestemmen en belijden van de waarheid voor een tijd, met eenig uiterlijk genoegen. Matth. 13 : 20, 21. Die het Woord hoort en dat terstond met vreugde ontvangt; doch hij heeft geenen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt om des woords wil, zoo wordt hij terstond geërgerd.

5

Wat is het geloof der wonderen?

Die sterke vaststelling bij zichzelven, dat er óf door ons, óf aan ons eenig wonder zal gedaan worden.

6

Wanneer heeft dat plaats?

Als het doen van wonderen plaats heeft.

7

Is dat ook niet zaligmakend?

Neen. 1 Cor. 13 : 2b. Indien ik al het geloof had, zoodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zoo ware ik niets.

8

In hoeveel zaken bestaat het zaligmakend geloof?

In drie; in kennis, toestemmen en vertrouwen.

9

Is een blind geloof zonder kennis niet genoeg?

Neen. Joh. 17 : 3. Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen.

10

Welke is de voornaamste en eigenlijke rechtvaardigmakende daad des geloofs?

Het is die daad der ziel, waardoor zij hartelijk wil en wenscht, niet alleen dat de beloften des Evangeliums in zich zelve waar mogen zijn, maar waardoor zij ook met overgegevene genegenheid den Heere Jezus als de eenige oorzaak van hare zaligheid, met verloochening van zichzelve en alle andere dingen of personen, begeert en dadelijk aangrijpt.

11

Wat is het gevolg van de rechtvaardigmakende daad des geloofs?

De bijzondere en zekere toepassing van de beloften des Evangeliums en den Heere Jezus tot den eigen persoon van elk geloovige, welke geenszins altijd tegenwoordig is in alle geloovigen, door de aanvechtingen des satans, de beschuldigingen van de Wet, en de verleidingen des vleesches; doch naar welke echter allen staan moeten, die Jezus oprecht aannemen.

12

Kunnen en moeten de geloovigen verzekerd zijn van de oprechtheid huns geloofs?

Zij kunnen. 2 Tim. 1 : 12b. Want ik weet, wien ik geloofd heb. En moeten daarnaar staan. 2 Cor. 13 : 5. Onderzoekt u zelven of gij in het geloof zijt, beproeft u zelven.

13

Wie werkt dat geloof in ons?

De H. Geest. 1 Cor. 12 : 3b. Niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn, dan door den H. Geest. Vergel Phil. 1 : 29.

14

Waardoor werkt die het geloof?

Door het Woord. Rom. 10 : 17. Het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.

15

Kunnen wij dan uit ons zelven niet gelooven?

Neen. Eph. 2 : 8. Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave.