Bronnen

Voorbeeld der Goddelijke Waarheden

Hellenbroek · Hoofdstuk 19 van 20

Hoofdstuk 19

Van de Sacramenten

1

Welke middelen heeft God verordineerd, om de heiligmaking gedurig voort te zetten?

Het Woord en de sacramenten.

2

Wat zijn sacramenten?

Teekenen en zegelen van Gods genade. Rom. 4 : 11. Hij heeft het teeken der besnijdenis ontvangen tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs.

3

Welke waren de voornaamste sacramenten van het Oude Testament?

De besnijdenis en het pascha.

4

Op den hoeveelsten dag werden de kinderen besneden?

Op den achtsten dag.

5

In wiens tijd is de besnijdenis ingesteld?

In Abrahams tijd.

6

In wiens tijd is het pascha ingesteld?

In Mozes' tijd, in den nacht, toen Israël uit Egypte trok.

7

Wat at men in het pascha?

Een lam.

8

Op wien zag dat?

Op Christus. 1 Cor. 5 : 7. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.

9

Hoelang hebben die sacramenten geduurd?

Tot op den tijd van het Nieuwe Testament.

10

Hoeveel sacramenten zijn er onder het Nieuwe Testament?

Twee: De H. Doop en het H. Avondmaal.

11

Wie heeft die ingesteld?

Christus.

I. Van den H. Doop

1

Waarmede doopt men?

Met water.

2

Moet dat water niet ergens mede gemengd worden?

Neen; het moet maar enkel en eenvoudig water zijn.

3

Wat beteekent dat water?

Het bloed en den Geest van Christus.

4

Wat doet men met dat water?

Men dompelt er in, of men besprengt er mede.

5

Wat beteekent die indompeling of besprenging met water?

De afwassching der zonden door Christus' bloed en Geest.

6

Hoeveel weldaden worden er dan in den Doop verzegeld?

Twee; de rechtvaardiging door Christus' bloed, en de heiligmaking door zijnen Geest.

7

Kan het water zelf de zonde afwasschen?

Neen. 1 Joh. 1 : 7b. Het bloed van Jezus Christus, zijnen Zoon, reinigt ons van alle zonden.

8

In wiens naam wordt men dan gedoopt?

In den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.

9

Mag elkeen doopen in tijd van nood?

Neen; alleen die gezonden zijn om te leeren. Matth. 28 : 19. Gaat dan henen, onderwijst alle volken, dezelve doopende.

10

Mag men dan ook kinderen doopen?

Ja. Hand. 2 : 39. U komt de belofte toe, en uwen kinderen.

11

Is de Doop noodzakelijk?

Ja; uit kracht van Christus' bevel.

12

Hangt er de zaligheid volstrekt van af?

Neen; God bindt nooit zijne genade aan het sacrament.

13

Hoe menigmaal moet men gedoopt worden?

Maar eens, gelijk men maar eens geboren wordt; want de Doop is een sacrament van geboorte en inlijving in de kerk, die maar eens geschieden kan.

II. Van het H. Avondmaal

1

Waarom gaat men dan dikwijls ten Avondmaal?

Omdat het een sacrament is van gedurige opvoeding in het geloof.

2

Waarom wordt het een Avondmaal of Nachtmaal genoemd?

Omdat Christus het in den avond of nacht heeft ingesteld.

3

Wanneer heeft Hij dat ingesteld?

In den nacht, toen Hij verraden werd.

4

Wat zijn de uiterlijke teekenen in het Avondmaal?

Brood en wijn.

5

Wat voor brood?

Gewoon en voedzaam brood.

6

Mag men geen ouwels in het Avondmaal gebruiken?

Neen; die beelden niet genoeg de geestelijke voeding af.

7

Wat beteekent het brood in het Avondmaal?

Christus' lichaam. 1 Cor. 11 : 24. Neemt, eet; dat is mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot mijne gedachtenis.

8

Moet dat brood ook juist gebroken worden?

Ja; om af te beelden, dat Christus' lichaam voor ons gebroken is.

9

Wat voor wijn moet men in het Avondmaal gebruiken?

Dat is evenveel.

10

Moet die niet met water gemengd worden?

Neen; daarvan is nergens bevel.

11

Wat beteekent de wijn?

Christus' bloed. 1 Cor. 11 : 25. Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in mijn bloed.

12

Wat beduidt het uitgieten van den wijn?

Dat Christus' bloed voor ons vergoten is.

13

Is het brood alleen niet genoeg in het Avondmaal?

Neen; Christus zegt ook Matth. 26 : 27: Drinkt allen daaruit.

14

Is dat ook te verstaan van alle gemeene geloovigen?

Ja. 1 Cor. 11 : 28. De mensch beproeve zichzelven en ete alzoo van het brood en drinke van den drinkbeker.

15

Is Christus ook lichamelijk onder de teekenen des Avondmaals tegenwoordig?

Neen; zijne menschelijke natuur is alleen in den hemel. Hand. 3 : 21. Welke de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen.

16

Verandert dan brood en wijn niet in zijn vleesch en bloed?

Neen; het blijft brood en wijn, ook nadat er de zegen over gesproken is.

17

Hoe kan dan Christus zeggen: dat is mijn lichaam?

Dat is te zeggen: dat beteekent mijn lichaam.

18

Spreekt de H. Schrift wel meer zoo?

Dikwijls. 1 Cor. 10 : 4. De steenrots was Christus. Dat is te zeggen: zij beteekende Christus.

19

Kan men Christus zelven daar dan niet eten of drinken?

Niet lichamelijk, maar geestelijk.

20

Wat is dat, Christus geestelijk te eten?

Hem door het geloof aan te nemen.

21

Voor wie is het Avondmaal ingesteld?

Alleen voor de geloovigen.

22

Niet voor kinderen?

Neen; omdat die zichzelven niet beproeven kunnen.

23

Waaromtrent moet men zich beproeven?

I. Of ons onze zonden van harte leed zijn. II. Of wij in Christus gelooven. III. Of wij dat geloof uitdrukken in een heiligen wandel.