Bronnen

Voorbeeld der Goddelijke Waarheden

Hellenbroek · Hoofdstuk 8 van 20

Hoofdstuk 8

Van het beeld Gods

1

Kon de mensch dat verbond onderhouden?

Ja; God had den mensch zoo geschapen, dat hij dat kon doen.

2

Hoe schiep God den mensch?

Goed en oprecht.

3

Is hij dan niet in een blooten natuurstaat, tusschen goed en kwaad geschapen?

Neen; maar in een dadelijke, zedelijke rechtheid. Pred. 7 : 29. Dit heb ik gevonden, dat God den mensch recht gemaakt heeft, maar zij hebben vele vonden gezocht.

4

Waarnaar schiep God den mensch?

Naar zijn beeld.

5

Waarin bestond dat beeld?

In kennis, gerechtigheid en heiligheid.

6

Niet in de uiterlijke gestalte des lichaams?

Neen; want God heeft geen lichaam.

7

Niet in de heerschappij over de dieren?

Neen; die is maar een gevolg van het beeld en zal in den hemel niet zijn, waar nochtans Gods beeld op het allervolmaaktst zal wezen.

8

Bewijs eens dat het beeld Gods bestond in kennis?

Col. 3 : 10. En aangedaan hebt den nieuwen mensch, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld desgenen, die hem geschapen heeft.

9

Bewijs eens dat het ook bestond in gerechtigheid en heiligheid?

Eph. 4 : 24. En den nieuwen mensch aandoen, die naar God geschapen is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid.

10

Was Adam met dat beeld sterfelijk?

Neen, onsterfelijk; want de dood is eerst op de zonde bedreigd. Gen. 2 : 17. Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.