Bronnen

Voorbeeld der Goddelijke Waarheden

Hellenbroek · Hoofdstuk 1 van 20

Hoofdstuk 1

Van de kennis van God

1

Waaruit weet men, dat er een God is?

Uit de natuur en uit de Heilige Schrift.

2

Hoe velerlei is de kennis van God uit de natuur?

Tweeërlei: 1. eene inwendige of ingeschapen kennis; 2. eene uitwendige of verkregen kennis.

3

Welke is de inwendige of ingeschapen kennis?

Die allen menschen van nature in hun hart is aangeboren. Rom. 1 : 19. Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is.

4

Hoe kan er zulk eene ingeschapen kennis zijn, daar er dwazen zijn, die in hun hart zeggen: daar is geen God. Ps. 14 : 1?

Dat is meer een wenschen, dan een dadelijk gelooven, dat er geen God is.

5

Welke is de uitwendige of verkregene kennis?

Die men haalt uit de schepselen buiten ons. Ps. 19 : 2. De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt zijner handen werk.

6

Hoe kan men uit de schepselen besluiten, dat er een God moet zijn?

Omdat zij door zichzelven niet zijn, noch blijven kunnen, maar noodzakelijk van God moeten geschapen zijn en nog onderhouden worden. Job 12 : 9. Wie weet niet uit alle dezen, dat de hand des Heeren dit doet?

7

Is de kennis uit de natuur genoeg om zalig te worden?

Neen.

8

Waarom niet?

Omdat men er Christus niet uit kennen kan.

9

Is Christus te kennen juist noodig tot zaligheid?

Ja. Joh. 17 : 3. En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.

10

Waaruit moet men de zaligmakende kennis halen?

Uit de Heilige Schrift.