Oude Testament · Poëzie en wijsheid

Job 19 - Statenvertaling

Hoofdstuk 19 van 42 in Job · 29 verzen

1Maar Job antwoordde en zeide:

2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?

3Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij.

4Maar ook het zij waarlijk, dat ik gedwaald heb, mijn dwaling zal bij mij vernachten.

5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;

6Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.

7Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.

8Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.

9Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen.

10Hij heeft mij rondom afgebroken, zodat ik henenga, en heeft mijn verwachting als een boom weggerukt.

11Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.

12Zijn benden zijn te zamen aangekomen, en hebben tegen mij haar weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijn tent.

13Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.

14Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij.

15Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen.

16Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem.

17Mijn adem is mijn huisvrouw vreemd; en ik smeek om der kinderen mijns buiks wil.

18Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen.

19Alle mensen mijns heimelijken raads hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd.

20Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden.

21Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt.

22Waarom vervolgt gij mij als God, en wordt niet verzadigd van mijn vlees?

23Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden. Och, of zij in een boek ook wierden ingetekend!

24Dat zij met een ijzeren griffie en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden!

25Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan;

26En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen;

27Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.

28Voorwaar, gij zoudt zeggen: Waarom vervolgen wij hem? Nademaal de wortel der zaak in mij gevonden wordt.

29Schroomt u vanwege het zwaard; want de grimmigheid is over de misdaden des zwaards; opdat gij weet, dat er een gericht zij.

Bijbeltekst: Statenvertaling, publiek domein.

Over Job 19

Bijbelboek
Job, boek 18 van 66
Testament
Oude Testament
Genre
Poëzie en wijsheid
Plaats in het boek
Hoofdstuk 19 van 42
hfst. 3-31Dit hoofdstuk hoort bij: De gesprekkenJobs klacht en drie rondes met Elifaz, Bildad en Zofar.

Kernvers van Job in dit hoofdstuk: vers 25.

Kruisverwijzingen bij Job 19

Andere bijbelteksten die over hetzelfde spreken, de meest genoemde eerst.

Kruisverwijzingen: OpenBible.info (CC BY), bewerkt: gefilterd en omgezet naar de versnummering van deze vertaling. Versnummering via STEPBible TVTMS (CC BY 4.0).

Job 19 bij een onderwerp

Verder lezen