Oude Testament · Poëzie en wijsheid
Job 3 - Statenvertaling
Hoofdstuk 3 van 42 in Job · 26 verzen
1Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag.
2Want Job antwoordde en zeide:
3De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen;
4Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne;
5Dat de duisternis en des doods schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen des dags!
6Diezelve nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome!
7Ziet, diezelve nacht zij eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome;
8Dat hem vervloeken de vervloekers des dags, die bereid zijn hun rouw te verwekken;
9Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads!
10Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen.
11Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb den geest gegeven, als ik uit den buik voortkwam?
12Waarom zijn mij de knieen voorgekomen, en waartoe de borsten, opdat ik zuigen zou?
13Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;
14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
15Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.
16Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben.
17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;
18Daar zijn de gebondenen te zamen in rust; zij horen de stem des drijvers niet.
19De kleine en de grote is daar; en de knecht vrij van zijn heer.
20Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?
21Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten;
22Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;
23Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?
24Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.
25Want ik vreesde een vreze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen.
26Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen.
Bijbeltekst: Statenvertaling, publiek domein.
Over Job 3
- Bijbelboek
- Job, boek 18 van 66
- Testament
- Oude Testament
- Genre
- Poëzie en wijsheid
- Plaats in het boek
- Hoofdstuk 3 van 42
Kruisverwijzingen bij Job 3
Andere bijbelteksten die over hetzelfde spreken, de meest genoemde eerst.
- Job 1:5bij vers 25
- Job 30:15bij vers 25
- Job 31:23bij vers 25
- Job 40:20bij vers 8
- Openbaring 9:6bij vers 21
- Job 19:8bij vers 23
- Jeremia 20:14-15bij vers 1
- Job 10:21-22bij vers 5
- Job 28:3bij vers 5
- Psalm 58:9bij vers 16
- Jeremia 20:18bij vers 20
- Job 10:18-19bij vers 3
Kruisverwijzingen: OpenBible.info (CC BY), bewerkt: gefilterd en omgezet naar de versnummering van deze vertaling. Versnummering via STEPBible TVTMS (CC BY 4.0).