Oude Testament · Poëzie en wijsheid

Job 13 - Statenvertaling

Hoofdstuk 13 van 42 in Job · 28 verzen

1Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.

2Gelijk gijlieden het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u.

3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.

4Want gewisselijk, gij zijt leugenstoffeerders; gij allen zijt nietige medicijnmeesters.

5Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.

6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.

7Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?

8Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten?

9Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?

10Hij zal u gewisselijk bestraffen, zo gij in het verborgene het aangezicht aanneemt.

11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?

12Uw gedachtenissen zijn gelijk as, uw hoogten als hoogten van leem.

13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.

14Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?

15Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.

16Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn; maar een huichelaar zal voor Zijn aangezicht niet komen.

17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.

18Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.

19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.

20Alleenlijk doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen.

21Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.

22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.

23Hoeveel misdaden en zonden heb ik? Maak mijn overtreding en mijn zonden mij bekend.

24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?

25Zult Gij een gedreven blad verbrijzelen, en zult Gij een drogen stoppel vervolgen?

26Want Gij schrijft tegen mij bittere dingen; en Gij doet mij erven de misdaden mijner jonkheid.

27Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,

28En hij veroudert als een verrotting, als een kleed, dat de mot opeet.

Bijbeltekst: Statenvertaling, publiek domein.

Over Job 13

Bijbelboek
Job, boek 18 van 66
Testament
Oude Testament
Genre
Poëzie en wijsheid
Plaats in het boek
Hoofdstuk 13 van 42
hfst. 3-31Dit hoofdstuk hoort bij: De gesprekkenJobs klacht en drie rondes met Elifaz, Bildad en Zofar.

Kernvers van Job in dit hoofdstuk: vers 15.

Kruisverwijzingen bij Job 13

Andere bijbelteksten die over hetzelfde spreken, de meest genoemde eerst.

Kruisverwijzingen: OpenBible.info (CC BY), bewerkt: gefilterd en omgezet naar de versnummering van deze vertaling. Versnummering via STEPBible TVTMS (CC BY 4.0).

Verder lezen