Nieuwe Testament · Brief
2 Corinthiërs 3 - Statenvertaling
Hoofdstuk 3 van 13 in 2 Corinthiërs · 18 verzen
1Beginnen wij onszelven wederom u aan te prijzen? Of behoeven wij ook, gelijk sommigen, brieven van voorschrijving aan u, of brieven van voorschrijving van u?
2Gijlieden zijt onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle mensen;
3Als die openbaar zijt geworden, dat gij een brief van Christus zijt, en door onzen dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door den Geest des levenden Gods, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen des harten.
4En zodanig een vertrouwen hebben wij door Christus bij God.
5Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God;
6Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
7En indien de bediening des doods in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, alzo dat de kinderen Israels het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid zijns aangezichts, die te niet gedaan zou worden,
8Hoe zal niet veel meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn?
9Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening der rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid.
10Want ook het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in dezen dele, ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid.
11Want indien hetgeen te niet gedaan wordt, in heerlijkheid was, veel meer is hetgeen blijft, in heerlijkheid.
12Dewijl wij dan zodanige hoop hebben, zo gebruiken wij vele vrijmoedigheid in het spreken;
13En doen niet gelijkerwijs Mozes, die een deksel op zijn aangezicht legde, opdat de kinderen Israels niet zouden sterk zien op het einde van hetgeen te niet gedaan wordt.
14Maar hun zinnen zijn verhard geworden; want tot op den dag van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen des Ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, hetwelk door Christus te niet gedaan wordt.
15Maar tot den huidigen dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart.
16Doch zo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen.
17De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid.
18En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.
Bijbeltekst: Statenvertaling, publiek domein.
Over 2 Corinthiërs 3
- Bijbelboek
- 2 Corinthiërs, boek 47 van 66
- Testament
- Nieuwe Testament
- Genre
- Brief
- Plaats in het boek
- Hoofdstuk 3 van 13
Kruisverwijzingen bij 2 Corinthiërs 3
Andere bijbelteksten die over hetzelfde spreken, de meest genoemde eerst.
- 2 Corinthiërs 4:6bij vers 18
- Efeziërs 4:22-24bij vers 18
- Romeinen 8:2bij vers 17
- Romeinen 12:2bij vers 18
- Johannes 8:32bij vers 17
- Galaten 5:13bij vers 17
- Ezechiël 11:19bij vers 3
- Romeinen 7:6bij vers 6
- 2 Corinthiërs 12:9bij vers 5
- Filippenzen 4:13bij vers 5
- Jeremia 31:31bij vers 6
- Jeremia 31:33bij vers 3
Kruisverwijzingen: OpenBible.info (CC BY), bewerkt: gefilterd en omgezet naar de versnummering van deze vertaling. Versnummering via STEPBible TVTMS (CC BY 4.0).