Geloofsbelijdenis · Artikel 26 van 37
Artikel 26
Van de eenige voorbidding van Christus
Wij gelooven, dat wij geenen toegang hebben tot God dan alleen door den eenigen Middelaar en Voorspraak, Jezus Christus, den rechtvaardige; dewelke hierom mensch geworden is, vereenigende te zamen de Goddelijke en de menschelijke natuur, opdat wij menschen eenen toegang zouden hebben tot de Goddelijke Majesteit; anderszins ware ons de toegang gesloten. Maar deze Middelaar, dien de Vader ons heeft gegeven tusschen zich en ons, moet ons door zijne grootheid niet verschrikken, om ons een ander, naar ons goeddunken, te doen zoeken. Want er is niemand, noch in den hemel, noch op de aarde, onder de schepselen, die ons liever heeft dan Jezus Christus, dewelke, hoewel Hij in de gestaltenisse Gods was, nochtans zichzelven vernietigd heeft, aannemende de gestaltenisse eens menschen en eens dienstknechts voor ons, en is in alles zijnen broederen gelijk geworden. Indien wij nu eenen anderen Middelaar zoeken moesten, die ons goedgunstig ware, wien zouden wij kunnen vinden, die ons meer beminde dan Hij, die zijn leven voor ons gelaten heeft, ook toen wij zijne vijanden waren? En zoo wij eenen zoeken, die macht en aanzien heeft, wie is er, die daarvan zoo veel heeft als degene, die gezeten is ter rechterhand zijns Vaders, en die alle macht heeft in den hemel en op de aarde? En wie zal eer verhoord worden, dan de eigen welbeminde Zone Gods? Zoo is dan alleen door een mistrouwen dit gebruik ingevoerd, dat men de heiligen onteert, in plaats van die te eeren, doende hetgene zij nooit gedaan noch begeerd hebben, maar hebben het volstandiglijk en volgens hunnen schuldigen plicht verworpen, als blijkt uit hunne schriften. En hier moet men niet voorbrengen, dat wij het niet waardig zijn; want het heeft hier de meening niet, dat wij onze gebeden op onze waardigheid zouden voordragen, maar alleen op de uitnemendheid en waardigheid onzes Heeren Jezus Christus, wiens rechtvaardigheid de onze is door het geloof. Daarom, de Apostel, willende deze zotte vreeze, of veelmeer dat mistrouwen, van ons nemen, zegt ons, dat Jezus Christus zijnen broederen in alles gelijk geworden is, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hoogepriester zoude zijn, om de zonden des volks te verzoenen; want in hetgene Hij zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulpe komen. En daarna, om ons nog meer moed te geven om tot Hem te gaan, zegt hij: Dewijl wij dan eenen grooten Hoogepriester hebben, die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zone Gods, zoo laat ons deze belijdenis vasthouden. Want wij hebben geenen Hoogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd. Dezelfde Apostel zegt, dat wij vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus; laat ons dan toegaan, zegt hij, in volle verzekerdheid des geloofs, enz. Insgelijks: Christus heeft een onvergankelijk priesterschap; waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen die door Hem tot God gaan, alzoo Hij altijd leeft, om voor hen te bidden. Wat ontbreekt er meer, dewijl Christus zelf deze uitspraak doet: Ik ben de weg, en de waarheid, en het leven; niemand komt tot den Vader dan door Mij? Waartoe zouden wij eenen anderen Advocaat zoeken, aangezien het God beliefd heeft ons zijnen Zoon tot eenen Advocaat te geven? Laat ons Hem niet verlaten, om eenen anderen te nemen; of veel meer, eenen anderen te zoeken, zonder hem immermeer te vinden; want toen God Hem ons gegeven heeft, zoo wist Hij wel dat wij zondaars waren. Daarom, volgens het bevel van Christus, zoo roepen wij den hemelschen Vader aan door Christus, onzen eenigen Middelaar, gelijk wij in het Gebed des Heeren geleerd zijn; verzekerd zijnde, dat al wat wij den Vader zullen bidden in zijnen naam, ons zal gegeven worden.