Geloofsbelijdenis · Artikel 13 van 37
Artikel 13
Van de Voorzienigheid Gods en regeering aller dingen
Wij gelooven, dat die goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had, deze niet heeft laten varen, noch aan het geval of de fortuin overgegeven, maar ze naar zijnen heiligen wil alzoo stiert en regeert, dat in deze wereld niets geschiedt zonder zijne ordinantie; hoewel nochtans God noch auteur is, noch schuld heeft, van de zonde, die er geschiedt. Want zijne macht en goedheid is zoo groot en onbegrijpelijk, dat Hij zeer wel en rechtvaardiglijk zijn werk beschikt en doet, ook wanneer de duivelen en goddeloozen onrechtvaardiglijk handelen. En aangaande hetgene Hij doet boven het begrip des menschelijken verstands, datzelve willen wij niet curieuselijk onderzoeken, meer dan ons begrip verdragen kan; maar wij aanbidden met alle ootmoedigheid en eerbied de rechtvaardige oordeelen Gods, die ons verborgen zijn; ons tevreden houdende, dat wij leerjongeren van Christus zijn, om alleen te leeren hetgene Hij ons aanwijst in zijn Woord, zonder deze palen te overtreden. Deze leering geeft ons eenen onuitsprekelijken troost, als wij door haar geleerd worden, dat ons niets bij geval overkomen kan, maar door de beschikking onzes goedertierenen hemelschen Vaders, die voor ons waakt met eene vaderlijke zorg, houdende alle schepselen onder zijne heerschappij, alzoo dat niet één haar van ons hoofd (want die zijn alle geteld), ook niet één muschken op de aarde vallen kan, zonder den wil onzes Vaders. Waarop wij ons verlaten, wetende dat Hij de duivelen in den toom houdt en alle onze vijanden, die ons zonder zijne toelating en wil niet schaden kunnen. En hierin verwerpen wij de verdoemelijke dwaling der Epicureën, dewelke zeggen, dat zich God nergens mede bemoeit en alle dingen bij geval laat geschieden.