Geloofsbelijdenis · Artikel 21 van 37
Artikel 21
Van de voldoening van Christus, onzen eenigen Hoogepriester, voor ons
Wij gelooven, dat Jezus Christus een eeuwige Hoogepriester is, met eede, naar de ordening van Melchizedek, en zichzelven in onzen naam voor zijnen Vader gesteld heeft, om zijnen toorn te stillen met volle genoegdoening, zichzelven opofferende aan het hout des kruises, en vergietende zijn dierbaar bloed tot reiniging onzer zonden, gelijk de Profeten hadden voorzegd. Want er is geschreven, dat de straffe, die ons den vrede aanbrengt, op den Zone Gods was, en dat door zijne striemen ons genezing is geworden; Hij ter slachting geleid is als een lam; met de misdadigen gerekend; en als een kwaaddoener veroordeeld door Pontius Pilatus, hoewel hij Hem onschuldig verklaard had. Zoo heeft Hij dan wedergegeven, wat Hij niet geroofd had, en heeft geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen; en dat zoowel in zijn lichaam als in zijne ziele, gevoelende de schrikkelijke straf, die onze zonden verdiend hadden, zoodat zijn zweet werd gelijk druppelen bloeds, op de aarde afloopende; Hij heeft geroepen: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? en heeft zulks alles geleden tot vergeving onzer zonden. Daarom zeggen wij wel terecht met Paulus, dat wij niet anders weten, dan Christus en dien gekruisigd; wij achten alle dingen voor drek, om de uitnemendheid der kennisse van onzen Heere Jezus Christus; wij vinden allerlei vertroosting in zijne wonden, en hebben niet van noode eenig ander middel te zoeken of uit te denken, om ons met God te verzoenen, dan alleen deze eenige offerande, eenmaal geschied, door welke de geloovigen in eeuwigheid volmaakt worden. Dit is ook de oorzaak, waarom Hij door den engel Gods genaamd is Jezus, dat is, Zaligmaker, vermits Hij zijn volk zoude zalig maken, van hunne zonden.