Geloofsbelijdenis · Artikel 18 van 37
Artikel 18
Van de menschwording van Jezus Christus
Wij belijden dan, dat God de belofte, die Hij den Oudvaderen gedaan had door den mond zijner Heilige Profeten, volbracht heeft, zendende zijnen eigen eeniggeboren en eeuwigen Zoon in de wereld, ten tijde door Hem bestemd. Dewelke eens dienstknechts gestaltenisse aangenomen heeft, en den mensche gelijk geworden is, waarachtiglijk aannemende eene ware menschelijke natuur, met alle hare zwakheden (uitgenomen de zonde), ontvangen zijnde in het lichaam der gelukzalige maagd Maria, door de kracht des H. Geestes, zonder mans toedoen. En heeft niet alleen de menschelijke natuur aangenomen, zooveel het lichaam aangaat, maar ook eene ware menschelijke ziele, opdat hij een waar mensch zoude zijn. Want aangezien de ziele zoowel verloren was als het lichaam, zoo was het van noode dat Hij ze beide aanname, om ze beide zalig te maken. Daarom belijden wij (tegen de ketterij der Wederdooperen, die loochenen dat Christus, menschelijk vleesch van zijne moeder aangenomen heeft), dat Christus is deelachtig geworden des vleesches en bloeds der kinderen; dat Hij eene vrucht der lendenen Davids is, zooveel het vleesch aangaat; geworden uit het zaad Davids naar het vleesch; eene vrucht des buiks van Maria; geworden uit eene vrouw; eene spruite Davids; eene scheut uit de wortelen van Isaï; gesproten uit het geslacht van Juda; afkomstig van de Joden, zooveel het vleesch aangaat, uit den zade Abrahams, aangezien Hij aangenomen heeft het zaad Abrahams, en is zijnen broederen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde; alzoo dat Hij in der waarheid onze Immanuël is, dat is, God met ons.