Geloofsbelijdenis · Artikel 19 van 37
Artikel 19
Van de vereeniging en het onderscheid der twee naturen van Christus in één persoon
Wij gelooven, dat door deze ontvangenis de Persoon des Zoons onafscheidelijk vereenigd en te zamen gevoegd is met de menschelijke natuur; zoodat er niet zijn twee Zonen Gods, noch twee personen, maar twee naturen in eenen eenigen persoon vereenigd; doch elke natuur hare onderscheidene eigenschappen behoudende. Gelijk dan de Goddelijke natuur altijd ongeschapen gebleven is, zonder beginsel der dagen of einde des levens, vervullende hemel en aarde, alzoo heeft de menschelijke natuur hare eigenschappen niet verloren, maar is een schepsel gebleven, hebbende beginsel der dagen, zijnde eene eindige natuur, en behoudende al hetgene dat een waar lichaam toebehoort. En hoewel Hij haar door zijne verrijzenis onsterfelijkheid gegeven heeft, nochtans heeft Hij de waarheid zijner menschelijke natuur niet veranderd, dewijl onze zaligheid en verrijzenis mede hangen aan de waarheid zijns lichaams. Doch deze twee naturen zijn alzoo te zamen vereenigd in één persoon, dat zij ook zelfs door zijnen dood niet gescheiden zijn geweest. Zoo was dan hetgene Hij stervende in de handen zijns Vaders bevolen heeft, een ware menschelijke geest, die uit zijn lichaam scheidde; maar intusschen bleef de Goddelijke natuur altijd vereenigd met de menschelijke, ook zelfs toen Hij in het graf lag; en de Godheid hield niet op in Hem te zijn, gelijk zij in Hem was toen Hij een klein kind was, hoewel zij zich voor eenen kleinen tijd zoo niet openbaarde. Hierom bekennen wij, dat Hij waar God en waar mensch is: waar God, om door zijne kracht den dood te overwinnen, en waar mensch, opdat Hij voor ons zoude kunnen sterven uit de zwakheid zijns vleesches.