Geloofsbelijdenis · Artikel 22 van 37
Artikel 22
Van onze rechtvaardigmaking door het geloof in Jezus Christus
Wij gelooven, dat, om ware kennis dezer groote verborgenheid te bekomen, de H. Geest in onze harten ontsteekt een oprecht geloof, hetwelk Jezus Christus met alle zijne verdiensten omhelst, Hem eigen maakt, en niets anders meer buiten Hem zoekt. Want het moet noodzakelijk volgen, of dat niet al wat tot onze zaligheid van noode is, in Jezus Christus zij; of, zoo het alles in Hem is, dat degene die Jezus Christus door het geloof bezit, zijne geheele zaligheid heeft. Nu, dat men zeggen zoude, dat Christus niet genoegzaam is, maar dat er nog benevens Hem iets meer toe behoeft, ware eene al te ongeschikte godslastering; want daaruit zoude volgen, dat Christus maar een halve Zaligmaker ware. Daarom zeggen wij terecht, met Paulus, dat wij door het geloof alleen, of door het geloof zonder de werken gerechtvaardigd worden. Doch wij verstaan niet, dat het, om eigenlijk te spreken, het geloof zelf is, dat ons rechtvaardigt; want het is maar een instrument, waarmede wij Christus, onze rechtvaardigheid, omhelzen. Maar Jezus Christus, ons toerekenende alle zijne verdiensten en zoo vele heilige werken, die Hij voor ons en in onze plaats heeft gedaan, is onze rechtvaardigheid; en het geloof is een instrument, dat ons met Hem in de gemeenschap aller zijner goederen houdt; dewelke, de onze geworden zijnde, ons meer dan genoegzaam zijn tot onze vrijspreking van onze zonden.