Geloofsbelijdenis · Artikel 12 van 37
Artikel 12
Van de schepping aller dingen en met name der engelen
Wij gelooven, dat de Vader, door zijn Woord, dat is door zijnen Zoon, den hemel, de aarde en alle schepselen uit niet heeft geschapen, wanneer het Hem heeft goed gedacht, aan een iegelijk schepsel zijn wezen, gestalte en gedaante, en onderscheidene ambten gevende, om zijnen Schepper te dienen. Dat Hij ze ook nu alle onderhoudt en regeert naar zijne eeuwige voorzienigheid en door zijne oneindige kracht, om den mensch te dienen, ten einde dat de mensch zijnen God diene. Hij heeft ook de engelen goed geschapen, om zijne zendboden te zijn, en zijne uitverkorenen te dienen; van welke sommigen van die uitnemendheid, in dewelke hen God geschapen had, in het eeuwig verderf vervallen zijn, en de anderen door de genade Gods in hunnen eersten staat volhard hebben en staande gebleven zijn. De duivelen en booze geesten zijn alzoo verdorven, dat zij vijanden Gods en alles goeds zijn; naar al hun vermogen als moordenaars loerende op de Kerk en een ieder lidmaat van die, om alles te verderven en te verwoesten door hunne bedriegerijen; en zijn daarom door hunne eigene boosheid veroordeeld tot de eeuwige verdoemenis, dagelijks verwachtende hunne schrikkelijke pijnigingen. Zoo verwerpen en verfoeien wij dan hierin de dwaling der Sadduceën, welke loochenen dat er geesten en engelen zijn; en ook de dwaling der Manicheën, die zeggen, dat de duivelen hunnen oorsprong uit zichzelven hebben, zijnde uit hunne eigene natuur kwaad, zonder dat zij verdorven zijn geworden.