Formulieren · Formulier 5 van 8
Wederopneming
Formulier van wederopneming des afgesnedenen in de Gemeente van Christus
Geliefden in den Heere, ulieden is bekend, dat eenen zekeren tijd geleden, onze medelidmaat N. van de Gemeente van Christus afgesneden is geweest. Nu kunnen wij u niet verbergen, hoe hij door de voornoemde remedie, mitsgaders door het middel van goede vermaningen, en uwe Christelijke gebeden, zoo verre is gekomen, dat hij zich over zijne zonde schaamt, begeerende van ons, tot de gemeenschap der Kerk weder opgenomen te worden. Alzoo wij dan van wege het bevel Gods schuldig zijn, de zoodanigen met blijdschap te ontvangen, en het toch noodig is dat goede orde daarin gebruikt worde; zoo geven wij u mits dezen te verstaan, dat wij den voorschreven afgesneden persoon ter naaste reize, door Gods genade, wanneer men des Heeren Avondmaal zal houden, van den band der afsnijding wederom ontbinden, en tot de gemeenschap der Kerk ontvangen zullen, ten ware iemand van u middelerwijl iets wettigs had, waarom zulks niet zoude behooren te geschieden, hetwelk gijlieden ons intijds aanzeggen zult. Intusschen zal een iegelijk den Heere danken voor de weldaad, aan dezen armen zondaar bewezen, Hem biddende, dat Hij zijn werk aan hem wille uitvoeren tot zijne eeuwige zaligheid. Amen.
Daarna, indien geene verhindering voorkomt, zal de Dienaar des Woords tot wederopneming van den afgesnedenen zondaar voortgaan op de navolgende wijze:
Geliefde Christenen, wij hebben u laatstmaal voorgehouden van de bekeering van onzen medebroeder (of, van onze medezuster) N., om met uw voorweten wederom tot de Gemeente van Christus opgenomen te worden. Alzoo dan niemand iets voorgebracht heeft, waarom de voorzeide wederopneming niet zoude behooren te geschieden, zoo willen wij nu tegen woordiglijk daartoe voortvaren.
De Heere Christus, Matth. XVIII bevestigd hebbende het vonnis zijner Kerk in de afsnijding der onboetvaardige zondaren, verklaart terstond daarbij, dat al wat zijne Dienaars ontbinden zouden op de aarde, ontbonden zoude zijn in den hemel. Waarmede Hij te kennen geeft, dat, wanneer iemand van zijne Kerk afgesneden is, hem alsdan alle hope der zaligheid niet ontnomen is, maar dat hij van de banden der verdoemenis weder ontslagen kan worden. Daarom, aangezien God in zijn Woord verklaart, geenen lust te hebben in den dood des zondaars, maar daarin dat hij zich bekeere en leve; zoo heeft ook de Kerk nog altijd hoop op de bekeering des afgewekenen zondaars, en houdt haren schoot open, om den bekeerde wederom te ontvangen. Dienvolgens heeft de Heilige Paulus den Corinthiër (dien hij verklaard had, dat van de Kerk afgedaan behoorde te worden) wederom bevolen op te helpen en te vertroosten, nadat hij, van velen bestraft zijnde, tot inzicht was gekomen; opdat hij door eene al te overvloedige droefheid niet zoude verslonden worden. Ten andere leert Christus in de voorzeide uitspraak, dat het vonnis der ontbinding, hetwelk uitgesproken wordt over zulk eenen bekeerden zondaar, volgens Gods Woord, voor bondig en vast gehouden wordt door den Heere; waarom niemand, die zich oprechtelijk bekeert, eenigszins behoort te twijfelen, of hij is gewisselijk van God in genade aangenomen, gelijk Christus elders zegt: Zoo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven.
Om nu tot de voorgenomene handeling te komen, zoo vraag ik u, N.:
Of gij voor God en zijne Gemeente alhier van ganscher harte verklaart, dat gij oprecht berouw hebt van de zonde en hardnekkigheid, om welke gij rechtvaardiglijk van de Gemeente afgesneden zijt geweest; of gij ook waarachtiglijk gelooft, dat u de Heere uwe zonden vergeven heeft en vergeeft om Christus wille, en mitsdien begeert tot de Gemeente van Christus alhier weder opgenomen te worden, belovende van nu voortaan u in alle Godzaligheid te gedragen naar het gebod des Heeren?
Antwoord: Ja ik.
Hierop zal de Dienaar verder aldus spreken:
Wij dan, alhier vergaderd in den naam en de macht des Heeren Christus, verklaren u, N., ontbonden te zijn van de banden der afsnijding; ontvangen u wederom in de Gemeente des Heeren; en verkondigen u, dat gij staat in de gemeenschap van Christus, van de Heilige Sacramenten, en van alle geestelijke zegeningen en weldaden Gods, die Hij aan zijne Gemeente belooft en bewijst; waarin u de eeuwige God tot den einde toe behouden wille door zijnen eeniggeborenen Zoon Jezus Christus, Amen.
Zoo wees dan verzekerd, mijn lieve Broeder, in uw hart, dat u de Heere heeft opgenomen in genade; wees naarstig, om u voortaan te wachten voor de listigheid des satans en de boosheid der wereld, ten einde gij niet weder vervalt in de zonde; heb Christus zeer lief, want u zijn vele zonden vergeven.
En gij, geliefde Christenen, ontvangt dezen uwen broeder met toegenegenheid des harten; zijt vroolijk, dat hij dood was en weder levend is geworden, verloren was en gevonden is; verheugt u met de engelen des hemels over dezen zondaar, die zich bekeert; houdt hem niet langer voor eenen die vreemd is, maar voor eenen medeburger der heiligen en huisgenoot Gods.
En alzoo wij niets goeds kunnen hebben van onszelven, zoo laat ons, den Heere almachtig lovende en dankende, Hem om zijne genade aldus aanroepen:
Goedertieren God en Vader, wij danken U door Jezus Christus, dat Gij dezen onzen medebroeder bekeering hebt gegeven ten leven, en ons oorzaak verleent om in zijne wederkeering verheugd te zijn. Wij bidden U, bewijs hem uwe genade, om van de vergeving zijner zonden meer en meer verzekerd te zijn in zijn gemoed, en daaruit te scheppen eene onuitsprekelijke blijdschap en lust om U te dienen. En gelijkerwijs hij tevoren vele menschen heeft geërgerd door zijne zonde, wil hem alzoo wederom verleenen, vele menschen door zijne bekeering te stichten. Geef hem tot den einde toe volstandiglijk te wandelen in uwe wegen; en laat ons leeren uit dit voorbeeld, dat bij U is genade, opdat Gij gevreesd wordt; ten einde wij, hem houdende voor onzen medebroeder en medeërfgenaam des eeuwigen levens, U te zamen mogen dienen met eene kinderlijke vreeze en gehoorzaamheid alle de dagen onzes levens, door onzen Heere Jezus Christus; in wiens naam wij ons gebed besluiten:
Onze Vader, die in de hemelen zijt;
Uw naam worde geheiligd.
Uw koninkrijk kome.
Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijksch brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze.
Want uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.