Formulieren · Formulier 8 van 8
Bevestiging van het huwelijk
Formulier om den huwelijken staat voor de Gemeente van Christus te bevestigen
En eerstelijk, hoe men de verloofden tevoren zal afkondigen
N. en N. willen zich naar Gods ordening tot den heiligen huwelijken staat begeven; daartoe begeeren zij een Christelijk gebed der geheele gemeente, opdat zij dezen Christelijken staat in Gods naam beginnen, en zaliglijk tot zijnen lof voleinden mogen.
En zoo iemand daartoe iets te spreken had, waardoor zulks verhinderd of opgehouden mocht worden, die brenge zulks ordelijk en bijtijds aan, of zwijge daarna, en wachte zich eenige verhindering daartegen voor te nemen,
Zoo daar geene wettige beletselen zijn, zoo vaart men na de voleinding der afkondiging voort. En de Dienaar spreekt aldus:
Overmits den getrouwden gemeenlijk velerhande tegenspoed en kruis vanwege de zonde overkomt; opdat gij, N. en N. (die uwe echtelijke verbinding in Gods naam openlijk alhier in de Kerk wilt laten bevestigen), in uwe harten ook verzekerd zijn moogt van de gewisse hulpe Gods in uw kruis; zoo hoort uit den Woorde Gods, hoe eerbaar de huwelijke staat is, en dat hij eene inzetting Gods is, die Hem behaagt; waarom Hij ook de getrouwden wil zegenen, en hen bijstaan, gelijk Hij beloofd heeft; daarentegen de hoereerders en overspelers wil Hij oordeelen en straffen.
En eerstelijk zult gij weten, dat God, onze Vader, nadat Hij hemel en aarde, en alles wat daarin is, geschapen had, den mensch schiep, naar zijnen beelde en zijne gelijkenisse, opdat hij heerschappij zoude hebben over de dieren der aarde, over de visschen der zee, en over het gevogelte des hemels; en nadat Hij den mensch geschapen had, sprak Hij: Het is niet goed, dat de mensch alleen zij; Ik zal hem eene hulpe maken, die als tegen hem over zij. Toen deed de HEERE God eenen diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep. En Hij nam ééne van zijne ribben, en sloot hare plaatse toe met vleesch. En de HEERE God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot eene vrouw; en Hij bracht ze tot Adam. Toen zeide Adam: Deze is ditmaal been van mijne beenen, en vleesch van mijn vleesch; men zal ze Manninne heeten, omdat zij uit den man genomen is. Daarom zal de man zijnen vader en zijne moeder verlaten, en zijne vrouwe aanhangen, en die twee zullen tot één vleesch zijn.
Daarom zult gij ook niet twijfelen, of de huwelijke staat behaagt aan God den Heere; overmits Hij Adam zijne huisvrouwe geschapen, zelf toegebracht, en hem tot eene huisvrouwe gegeven heeft; daarmede betuigende, dat Hij nog heden ten dage aan een iegelijk zijne huisvrouwe gelijk als met zijne hand toebrengt. Daarom heeft ook de Heere Jezus Christus dien zoo hoog geëerd, met zijne tegenwoordigheid, giften en wonderteekenen te Kana in Galiléa, om daarmede te betuigen, dat de huwelijke staat behoort eerbaar gehouden te worden bij allen, en dat Hij den getrouwden zijne hulpe en bijstand altijd wil bewijzen, ook wanneer men zulks allerminst verwacht.
Maar opdat gij in dezen staat Godzaliglijk leven moogt, zoo zult gij, ten andere, weten de oorzaken, waarom God den huwelijken staat heeft ingezet.
De eerste oorzaak is, opdat de een den ander trouwelijk helpe en bijsta in alle dingen, die tot het tijdelijke en eeuwige leven behooren. De andere, opdat zij hunne kinderen, die zij krijgen zullen, in de waarachtige kennisse en vreeze Gods, Hem ter eere, en tot hunne zaligheid opbrengen. De derde, opdat een iegelijk, alle onkuischheid en booze lusten vermijdende, met eene goede en geruste consciëntie moge leven. Want om hoererij te vermijden, zal een iegelijk man zijne eigene vrouwe hebben, en eene iegelijke vrouwe haren eigenen man; alzoo dat allen, die tot hunne jaren gekomen zijn, en de gave der onthouding niet hebben, naar het bevel Gods, verbonden en schuldig zijn, zich tot den huwelijken staat, naar Christelijke ordening, met weten en wil hunner ouders, of voogden en vrienden, te begeven; opdat de tempel Gods, dat is, ons lichaam, niet verontreinigd worde; want zoo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God schenden.
Daarna zult gij, ten derde, ook weten, hoe zich de een jegens den ander naar Gods Woord schuldig is te houden.
Eerstelijk, zult gij, Man, weten, dat God u gezet heeft tot een hoofd der vrouwe, opdat gij haar naar uw vermogen verstandiglijk leidende, zoudt onderwijzen, troosten en beschermen, gelijk het hoofd het lichaam regeert, ja gelijk Christus het Hoofd, de wijsheid, de troost en de bijstand zijner gemeente is. Bovendien zult gij uwe huisvrouwe liefhebben als uw eigen lichaam, gelijk Christus zijne gemeente liefgehad heeft. Gij zult niet verbitterd tegen haar worden, maar bij haar wonen met verstand, en aan het vrouwelijk vat, als het zwakste, eere geven, als die ook medeërfgenaam der genade des levens met haar zijt; opdat uwe gebeden niet verhinderd worden. En naardien het Gods bevel is, dat de man in het zweet zijns aanschijns brood zal eten, zoo zult gij ook getrouwelijk en naarstiglijk in uw Goddelijk beroep arbeiden, opdat gij uw huisgezin met God en met eere moogt onderhouden, en ook daarenboven iets hebt om den nooddruftigen mede te deelen.
Desgelijks zult gij, Vrouwe, weten, hoe gij u naar het Woord Gods houden zult jegens uwen man. Gij zult uwen wettigen man liefhebben, eeren en vreezen, ook hem gehoorzaam zijn in alle dingen die recht en billijk zijn, als uwen heere; gelijkerwijs het lichaam aan het hoofd, en de gemeente aan Christus onderdanig is. Gij zult geene heerschappij gebruiken over uwen man, maar stille zijn. Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva, Adam tot hulpe. En na den val heeft God tot Eva, en in haar persoon tot het gansche vrouwelijk geslacht gesproken: tot uwen man zal uwe begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben. Deze ordinantie Gods zult gij niet tegenstaan, maar veel meer het gebod Gods gehoorzaam zijn, en het voorbeeld der heilige vrouwen navolgen, welke op God hoopten, en haren eigenen mannen onderdanig waren; gelijkerwijs Sara haren man Abraham gehoorzaam geweest is, hem noemende heere. Gij zult ook uwen man in alle goede en oprechte dingen behulpzaam zijn, op uwe huishouding goede acht hebben, en in alle ingetogenheid en eerbaarheid, zonder wereldlijke pracht, wandelen, opdat gij anderen een goed voorbeeld van zedigheid moogt geven.
Daarom, gij N. en N., nadat gij verstaan hebt, dat God den huwelijken staat ingezet heeft, en wat u daarin van Hem bevolen is; zijt gij des zins en willens, in dezen heiligen staat alzoo te leven, gelijk gij hier betuigt voor de Christelijke gemeente; en begeert gij, dat deze uw huwelijke staat bevestigd worde?
Antwoord: Ja.
Daarna spreekt de Dienaar tot de gemeente.
Ik neem u allen, die hier nu vergaderd zijt, tot getuigen, dat er geene wettige verhindering tegen dit huwelijk voorgekomen is.
Voorts tot de trouwenden:
Naardien het dan recht en behoorlijk is, dat uwe zaak voortgang hebbe, zoo wille onze Heere God uw voornemen, hetwelk Hij u gegeven heeft, bevestigen, en uw beginsel zij in den name des Heeren, die hemel en aarde geschapen heeft.
Daarna zullen zij malkanderen de hand geven; en de Dienaar spreekt eerstelijk tot den Bruidegom:
N. Bekent gij hier voor God en zijne heilige gemeente, dat gij genomen hebt, en neemt, tot uwe wettige huisvrouwe N. hier tegenwoordig; haar belovende, dat gij haar nimmermeer zult verlaten; dat gij haar zult liefhebben, en trouwelijk onderhouden, gelijk een getrouw en Godvreezend man aan zijne wettige vrouwe schuldig is; dat gij ook heiliglijk met haar leven wilt, haar trouw en geloof houdende in alle dingen, naar uitwijzen van het heilig Evangelie?
Antwoord: Ja.
Daarna tot de Bruid:
N. Bekent gij hier voor God en zijne heilige gemeente, dat gij genomen hebt, en neemt, tot uwen wettigen man N. hier tegenwoordig; en belooft gij, hem gehoorzaam te zijn, hem te dienen en te helpen, hem nimmermeer te verlaten, heiliglijk met hem te leven, hem trouw en geloof in alle dingen te houden, gelijk eene vrome en getrouwe huisvrouwe haren wettigen man schuldig is, naar uitwijzen van het heilig Evangelie?
Antwoord: Ja.
Zoo spreekt de Dienaar:
De Vader der barmhartigheid, die u door zijne genade tot dezen heiligen staat des huwelijks geroepen heeft, verbinde u met rechte liefde en trouwe, en geve u zijnen zegen, Amen.
Hoort nu uit het Evangelie, hoe sterk de band des huwelijks is, gelijk Mattheüs beschrijft, Kap. XIX: 3—9:
En de Pharizeën kwamen tot Hem, verzoekende Hem, en zeggende tot Hem: Is het een mensch geoorloofd zijne vrouwe van zich te laten, om allerlei oorzaak? Doch Hij, antwoordende, zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, die van den beginne den mensch gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw, en gezegd heeft: Daarom zal een mensch vader en moeder verlaten, en zal zijne vrouwe aanhangen, en die twee zullen tot één vleesch zijn? Alzoo dat zij niet meer twee zijn, maar één vleesch. Hetgene dan God samengevoegd heeft, scheide de mensch niet. Zij zeiden tot Hem: Waarom heeft dan Mozes geboden eenen scheidbrief te geven, en haar van zich te laten? Hij zeide tot hen: Mozes heeft vanwege de hardigheid uwer harten u toegelaten uwe vrouwen van u te laten; maar van den beginne is het alzoo niet geweest. Maar Ik zeg u, dat zoo wie zijne vrouwe van zich laat, anders dan om hoererij, en eene andere trouwt, die doet overspel, en die de verstootene trouwt, doet ook overspel.
Gelooft deze woorden van den Heere Christus, en zijt daarvan verzekerd, dat onze Heere God u samengevoegd heeft tot dezen heiligen staat. En daarom zult gij ook alles wat u daarin overkomt, met geduld en dankzegging aannemen, als van de hand des Heeren; zoo zal het u ook alles ten beste en ter zaligheid gedijen.
Maar overmits wij van onszelven niets goeds hebben, en dat alle goede gaven van boven komen; zoo vermaant de Dienaar de getrouwden, dat zij nederknielen, en vermaant ook de gemeente voor hen te bidden.
O almachtige God, Gij die uwe goedheid en wijsheid in alle uwe werken en ordeningen bewijst, en van den beginne gesproken hebt, dat het niet goed is, dat de mensch alleen zij, en daarom hem eene hulpe, die als tegenover hem zoude zijn, geschapen hebt, en verordineerd hebt, dat die twee waren, één zouden zijn, en ook alle onreinigheid straft; wij bidden U (aangezien Gij deze personen tot den heiligen staat des huwelijks geroepen, en samen verbonden hebt), dat Gij hun uwen Heiligen Geest wilt geven, opdat zij in een waarachtig en vast geloof heiliglijk leven, naar uwen Goddelijken wil, en alle boosheid tegenstaan. Wil ze alsdan ook zegenen, gelijk Gij de geloovige vaderen, uwe vrienden en getrouwe dienaars. Abraham, Izak en Jakob, gezegend hebt, opdat zij, als medeërfgenamen des verbonds (hetwelk Gij met die vaderen opgericht hebt), de kinderen, die het U belieft hun te geven, Godzaliglijk opbrengen mogen, ter eere uws heiligen naams, tot stichting uwer gemeente, en tot verbreiding uws heiligen Evangelies. Wil ons verhooren, o Vader van alle barmhartigheid, door Jezus Christus, uwen lieven Zoon, onzen Heere, die met U en den Heiligen Geest leeft en regeert, één waarachtig eeuwig God, altijd geprezen. Amen.
Onze lieve Heere God vervulle u met zijne genade, en geve u, dat gij in alle Godzaligheid, liefde en eenigheid, lang en heiliglijk, samen leven moogt. Amen.