Formulieren · Formulier 2 van 8
Doop van volwassenen
Formulier om den Heiligen Doop aan de volwassenen te bedienen
Als degenen, die in hunne jonkheid (hetzij door nalatigheid of door dwaling hunner ouders) niet gedoopt zijn, tot de jaren huns verstands gekomen zijnde, begeeren den Christelijken Doop te ontvangen, zoo zal men ze eerst wèl onderwijzen in de gronden der Christelijke religie. En als zij daarvan (hetzij in den Kerkeraad, of voor zijne daartoe gedeputeerden, of openlijk, naardat in elke Kerk geoordeeld wordt het stichtelijkst te zijn) eene goede belijdenis hebben gedaan, zal men ze tot den Heiligen Doop toelaten, en in het bedienen daarvan dit navolgende formulier gebruiken.
De hoofdsom van de leer des Heiligen Doops is in deze drie stukken begrepen:
Eerstelijk, dat wij met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren, en daarom kinderen des toorns zijn, zoodat wij in het rijk Gods niet kunnen komen, tenzij wij van nieuws geboren worden. Dit leert ons de ondergang en besprenging met het water, waardoor ons de onreinigheid onzer zielen wordt aangewezen; opdat wij vermaand worden, een mishagen aan onszelven te hebben, ons voor God te verootmoedigen, en onze reinigmaking en zaligheid buiten onszelven te zoeken.
Ten tweede, betuigt en verzegelt ons de Heilige Doop de afwassching der zonden door Jezus Christus. Daarom worden wij gedoopt in den naam Gods, des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Want als wij gedoopt worden in den naam des Vaders, zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht, ons tot zijne kinderen en erfgenamen aanneemt, en daarom van alle goed ons verzorgen, en alle kwaad van ons weren, of ten onzen beste keeren wil. En als wij in den naam des Zoons gedoopt worden, zoo verzegelt ons de Zoon, dat Hij ons wascht in zijn bloed van alle onze zonden, ons in de gemeenschap zijns doods en zijner wederopstanding inlijvende, alzoo dat wij van onze zonden bevrijd, en rechtvaardig voor God gerekend worden. Desgelijks als wij gedoopt worden in den naam des Heiligen Geestes, zoo verzekert ons de Heilige Geest door dit Heilig Sacrament, dat Hij in ons wonen, en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toeëigenende hetgene wij in Christus hebben, namelijk, de afwassching onzer zonden, en de dagelijksche vernieuwing onzes levens, totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden.
Ten derde, overmits in alle verbonden twee deelen begrepen zijn, zoo worden wij ook weder van God door den Doop vermaand en verplicht tot eene nieuwe gehoorzaamheid, namelijk, dat wij dezen eenigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganscher harte, van ganscher ziele, van ganschen gemoede en met alle krachten, de wereld verlaten, onze oude natuur dooden, en in een nieuw Godzalig leven wandelen. En als wij somtijds uit zwakheid in zonden vallen, zoo moeten wij aan Gods genade niet vertwijfelen, noch in de zonden blijven liggen, overmits de Doop een zegel en ontwijfelbaar getuigenis is, dat wij een eeuwig verbond met God hebben. En hoewel de kinderen der Christenen, niettegenstaande zij deze dingen niet verstaan, uit kracht des Verbonds moeten gedoopt worden, zoo is het nochtans niet geoorloofd de volwassenen te doopen, tenzij die tevoren, hunne zonden gevoelende, belijdenis doen van hunne boetvaardigheid en van hun geloof in Christus. Want om deze oorzaak heeft niet alleen Johannes de Dooper, predikende naar het gebod Gods den Doop der bekeering, tot vergeving der zonden, diegenen, die hunne zonden beleden, gedoopt (Marc. I: 4, 5, en Luc. III: 3), maar heeft ook onze Heere Jezus Christus zijnen Apostelen bevolen, alle volkeren te onderwijzen, en hen te doopen in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes (Matth. XXVIII: 19), deze belofte daarbij voegende, dat die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden (Marc. XVI: 16); gelijk ook de Apostelen (zooals blijkt uit de Handelingen der Apostelen Kap. II: 38, en VIII: 36, 37, en X: 47, 48, en XVI: 14, 15, 31, 32, 33), volgens dezen regel, geene andere volwassenen gedoopt hebben, dan die belijdenis deden van hun boetvaardigheid en geloof. Daarom is het ook heden ten dage niet geoorloofd eenige andere volwassenen te doopen, dan die de verborgenheden des Heiligen Doops uit de prediking van het Heilig Evangelie geleerd hebben en verstaan, en daarvan, mitsgaders van hun geloof, door belijdenis des monds weten rekenschap te geven.
Opdat wij dan deze heilige ordening Gods, tot zijne eere, tot onzen troost, en tot stichting der gemeente uitrichten mogen, zoo laat ons zijnen heiligen naam aldus aanroepen:
O almachtige, eeuwige God; Gij die naar uw streng oordeel de ongeloovige en onboetvaardige wereld met den zondvloed gestraft hebt, en den geloovigen Noach zijne acht zielen uit uwe groote barmhartigheid behouden en bewaard; Gij die den verstokten Pharaö met al zijn volk in de Roode Zee verdronken hebt, en uw volk Israël droogvoets daardoor geleid, door hetwelk de Doop beduid werd; wij bidden U, bij uwe grondelooze barmhartigheid, dat Gij dezen persoon genadiglijk wilt aanzien, en door uwen Heiligen Geest uwen Zoon Jezus Christus inlijven; opdat hij met Hem in zijnen dood begraven worde, en met Hem moge opstaan in een nieuw leven; opdat hij zijn kruis, Hem dagelijks navolgende, vroolijk dragen moge, hem aanhangende met waarachtig geloof, vaste hope en vurige liefde; opdat hij dit leven (hetwelk toch niet anders is dan een gestadige dood) om uwentwille getroost, verlate, en ten laatsten dage voor den rechterstoel van Christus, uwen Zoon, zonder verschrikken moge verschijnen, door Hem, onzen Heere Jezus Christus, uwen Zoon, die met U en den Heiligen Geest, één eenig God, leeft en regeert in eeuwigheid. Amen.
Aanspraak tot den volwassene, die gedoopt zal worden
Aangezien gij N. dan ook begeert met het Heilig Doopsel gedoopt te worden, ten einde het u zij een zegel uwer inlijving in de Kerke Gods, opdat blijke, dat gij niet alleen de Christelijke religie aanneemt, waarin gij privatelijk door ons zijt onderwezen, en waarvan gij voor ons belijdenis gedaan hebt, maar ook uw leven daarnaar, door Gods genade, wilt aanstellen; zoo zult gij voor God en zijne gemeente hierop ongeveinsdelijk antwoorden:
Ten eerste: of gij gelooft in den eenigen waarachtigen God, onderscheiden in drie personen, Vader, Zoon en Heiligen Geest, die hemel en aarde, en alles wat daarin is, uit niet geschapen heeft, en nog onderhoudt en regeert, alzoo dat er niets geschiedt, noch in den hemel, noch op de aarde, zonder zijnen Goddelijken wil?
Antwoord: Ja.
Ten tweede: of gij gelooft, dat gij in zonden ontvangen en geboren zijt, en daarom een kind des toorns zijt, van nature ten goede gansch onbekwaam en geneigd tot alle kwaad; en dat gij met gedachten, woorden en werken de geboden des Heeren menigmaal hebt overtreden; en of deze uwe zonden u van harte leed zijn?
Antwoord: Ja.
Ten derde: of gij gelooft, dat Jezus Christus, die tegelijk waarachtig en eeuwig God is en waarachtig mensch, die zijne menschelijke natuur uit het vleesch en bloed der maagd Maria heeft aangenomen, u tot eenen Zaligmaker van God geschonken is; en dat gij door dit geloof ontvangt vergeving der zonden in zijn bloed, en dat gij een lidmaat van Jezus Christus en van zijne Kerk door de kracht des Heiligen Geestes zijt geworden?
Antwoord: Ja.
Ten vierde: of gij verder alle de Artikelen der Christelijke religie, gelijk die hier in de Christelijke Kerk uit den Woorde Gods geleerd worden, toestemt; en van voornemen zijt, in dezelfde leer tot het einde uws levens standvastiglijk te volharden; en tevens verzaakt alle ketterijen en dwalingen, met deze leer strijdende; en belooft, dat gij in de gemeenschap dezer Christelijke Kerk, niet alleen in het gehoor des Goddelijken Woords, maar ook in het gebruik des Heiligen Avondmaals, zult volharden?
Antwoord: Ja.
Ten vijfde: of gij u van harte voorgenomen hebt, altijd Christelijk te wandelen, en de wereld en hare kwade begeerlijkheden te verzaken, gelijk het lidmaten van Christus en van zijne gemeente betaamt; en of gij u aan alle Christelijke vermaningen gaarne wilt onderwerpen?
Antwoord: Ja.
De goede en groote God verleene goedertierenlijk tot dit uw heilig voornemen zijne Goddelijke genade en zegen, door onzen Heere Jezus Christus. Amen.
Daarna bij het doopen spreekt de Kerkedienaar aldus:
N. Ik doop u in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.
Dankzegging
Almachtige, barmhartige God en Vader, wij danken en loven U, dat Gij ons en onzen kinderen, door het bloed van uwen lieven Zoon Jezus Christus, alle onze zonden vergeven, en ons door uwen Heiligen Geest tot lidmaten van uwen eeniggeborenen Zoon, en alzoo tot uwe kinderen aangenomen hebt, en ons dit met den Heiligen Doop bezegelt en bekrachtigt. Wij bidden U ook, door Hem, uwen lieven Zoon, dat Gij dezen persoon met uwen Heiligen Geest altijd wilt regeeren, opdat hij Christelijk en Godzaliglijk wandele, en in den Heere Jezus wasse en toeneme, opdat hij uwe vaderlijke goedheid en barmhartigheid, die Gij hem en ons allen bewezen hebt, moge bekennen, en in alle gerechtigheid, onder onzen eenigen Leeraar, Koning en Hoogepriester, Jezus Christus, leve, en vromelijk tegen de zonde, den duivel en zijn gansche rijk strijden en overwinnen moge, om U, en uwen Zoon Jezus Christus, mitsgaders den Heiligen Geest, den eenigen en waarachtigen God, eeuwiglijk te loven en te prijzen. Amen.