Bronnen

Liturgische formulieren

Formulieren · Formulier 6 van 8

Bevestiging van Dienaars des Woords

Formulier om te bevestigen de Dienaars des Woords

Na de voleinding van de predikatie en van het gewone Gebed zal de Dienaar aldus spreken tot het volk:

Geliefde Broeders, het is u bekend, hoe wij nu, tot drie onderscheidene reizen, den naam van onzen medebroeder N. hier tegenwoordig, openlijk voorgesteld hebben, om te vernemen, of iemand wat had, hetzij zijne leer of zijn leven aangaande, waarom hij niet zoude mogen bevestigd worden in den dienst des Woords. Het is nu alzoo, dat ons niemand is verschenen, die iets wettigs voorgebracht heeft tegen zijnen persoon; waarom wij thans in den naam des Heeren zullen voortvaren tot zijne bevestiging.

Daartoe zult gij, N., en allen die hier tegenwoordig zijt, vóór alle dingen aanhooren uit den Woorde Gods eene korte verklaring van de inzetting en het ambt der Herders of Dienaren des Woords.

Alwaar eerstelijk valt op te merken, dat God, onze hemelsche Vader, willende uit het verdorven menschelijk geslacht eene gemeente roepen en vergaderen ten eeuwigen leven, door eene bijzondere genade daartoe gebruikt den dienst van menschen. Hierom zegt Paulus, Eph. IV, dat de Heere Christus gegeven heeft sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leeraars, tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus. Daar zien wij, dat de Heilige Apostel onder anderen zegt, dat het Herdersambt eene instelling van Jezus Christus is.

Wat nu dit heilig ambt medebrengt, kunnen wij lichtelijk uit den naam zelven afleiden. Want gelijkerwijs het werk van eenen gewonen herder is, de kudde (die hem bevolen is) te weiden, te leiden, voor te staan en te regeeren; alzoo gaat het ook toe met deze geestelijke herders, die gesteld zijn over de gemeente, die God roept tot de zaligheid, en houdt ze als voor schapen zijner weide. Nu is de weide, waarmede deze schapen geweid worden, anders dan de verkondiging des Goddelijken Woords, met de aanklevende bediening der gebeden en der Heilige Sacramenten. Hetzelfde Woord Gods is ook de staf waarmede deze kudde geleid en geregeerd wordt.

Dienvolgens is het openbaar, dat het ambt der Herders of der Dienaren des Woords is:

Eerstelijk, dat zij des Heeren Woord, door de Schriften der Profeten en Apostelen geopenbaard, grondig en oprechtelijk aan hun volk zullen voordragen, en het toeëigenen, zoo in het gemeen als in het bijzonder, tot nuttigheid der toehoorders, met onderwijzen, vermanen, vertroosten en bestraffen, naar eens iegelijks behoefte, verkondigende de bekeering tot God, en de verzoening met Hem door het geloof in Jezus Christus, en wederleggende met de Heilige Schrift alle dwalingen en ketterijen, die tegen deze zuivere leer strijden. Dit alles wordt ons klaarlijk te kennen gegeven in de Heilige Schrift; want de Apostel Paulus zegt, dat deze arbeiden in het Woord; en elders leert hij, dat zulks moet geschieden naar de mate of regel des geloofs. Hij schrijft ook, dat een herder aan het getrouwe of oprechte woord, dat naar de leere is, moet vasthouden, en dat recht snijden; insgelijks: die profeteert (dat is, Gods Woord predikt), spreekt den menschen stichting, en vermaning, en vertroosting. Op eene andere plaats stelt hij zichzelven aan de Herders voor tot een voorbeeld, verklarende dat hij, in het openbaar en bij de huizen, geleerd en betuigd heeft de bekeering tot God en het geloof in Jezus Christus. Maar inzonderheid hebben wij eene zuivere beschrijving van het ambt van eenen Dienaar des Evangelies 2 Cor. V: 18, waar de Apostel aldus spreekt: Alle deze dingen zijn uit God, die ons met zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus, en ons (namelijk den Apostelen en Herders) de bediening der verzoening gegeven heeft; want God was in Christus de wereld met zichzelven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenende, en heeft het woord der verzoening in ons gelegd. Zoo zijn wij dan gezanten (of, ambassadeurs) van Christus' wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus' wege: laat u met God verzoenen. Belangende de wederlegging der onzuivere leer, zegt dezelfde Apostel, Tit. I: 9, dat een Dienaar aan het Woord Gods moet vasthouden, om de tegensprekers te wederleggen, en den mond te stoppen.

Ten tweede, is het ambt der Herders, de openbare aanroeping van Gods naam te doen van wege de geheele gemeente. Want hetgene de Apostelen zeggen, Hand. VI: 4: Wij zullen volharden in het gebed, en in de bediening des Woords, dan hebben deze Herders met de Apostelen gemeen. Waarop de Heilige Paulus ziende, tot Timótheüs aldus spreekt: Ik vermaan dan vóór alle dingen, dat gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen, voor alle menschen; voor koningen, en allen die in hoogheid zijn; enz.

Ten derde, is hun ambt, de Sacramenten te bedienen, die de Heere heeft ingesteld tot zegelen zijner genade; gelijk blijkt uit het bevel, den Apostelen door Christus gegeven, en den Herders ook aangaande, Matth. XXVIII: 19: Doopt hen in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Insgelijks 1 Cor. XI: 23: Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgene ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus, in den nacht in welken Hij verraden werd, het brood nam; enz.

Ten laatste, is het werk van de Dienaren des Woords, de gemeente Gods in goede tucht en orde te houden en te regeeren, op zulke manier als de Heere geordineerd heeft. Want Christus, Matth. XVIII: 18, gesproken hebbende van de Christelijke straf, zegt tot zijne Apostelen aldus: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in den hemel gebonden wezen. En Paulus wil, dat de Dienaars hun eigen huis wel weten te regeeren, dewijl zij anders niet voor de gemeente Gods zouden kunnen zorg dragen, noch die regeeren. Dit is de oorzaak, waarom de Herders in de Schrift ook genoemd worden Huisverzorgers Gods, en Bisschoppen, dat is, Opzieners en Wachters; want zij hebben opzicht over het Huis Gods, waarin zij verkeeren; ten einde aldaar alles met goede orde en betamelijkheid moge toegaan, en dat met de Sleutelen des hemelrijks, die hun bevolen zijn, ontsluiting en toesluiting gedaan worde, volgens den last, hun van God gegeven.

Uit deze dingen kan men zien, welk een heerlijk werk het Herdersambt is, nademaal zoo groote dingen daardoor uitgericht worden; ja hoe gansch noodzakelijk het is, om de menschen ter zaligheid te brengen. Hetwelk ook de oorzaak is, waarom de Heere wil, dat zulk een ambt altijd zal blijven. Want aldus spreekt Christus, zijne Apostelen uitzendende om deze heilige bediening te doen: Ziet, ik ben met ulieden tot de voleinding der wereld; alwaar men ziet dat het zijn wil is, dat deze heilige dienst (want de personen, die Hij daar aanspreekt, konden niet leven tot de voleinding der wereld) ten allen tijde op aarde onderhouden worde. En hierom vermaant Paulus Timótheüs, hetgene hij van hem gehoord had, aan getrouwe menschen te betrouwen, welke bekwaam zijn om anderen te leeren; gelijk hij ook dienvolgens, Titus geordineerd hebbende tot eenen Herder, hem voorts beveelt, van stad tot stad Ouderlingen en Opzieners te stellen.

Dewijl dan ook wij, om dezen dienst in de Kerke Gods te onderhouden, nu eenen nieuwen Dienaar des Woords in den dienst instellen, en tot nog toe genoeg van het ambt der zoodanigen gesproken hebben; zoo zult gij, N., antwoorden op hetgene u voorgehouden zal worden, ten einde een iegelijk moge hooren, dat gij gezind zijt den voorzeiden dienst, zooals het behoorlijk is, aan te nemen.

En eerstelijk vraag ik u, of gij gevoelt in uw hart, dat gij wettiglijk van Gods gemeente, en mitsdien van God zelven, tot dezen heiligen dienst geroepen zijt?

Ten tweede, of gij de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments voor het eenige Woord Gods en de volkomene leere der zaligheid houdt, en alle leeringen verwerpt, die daartegen strijden?

Ten derde, of gij belooft uw ambt, gelijk dit voorhenen beschreven is, naar deze leer getrouwelijk te bedienen, en uwe leering te versieren met een Godzalig leven; mede u onderwerpende aan de kerkelijke vermaning, volgens de gemeene ordening der Kerken, indien gij in leer of leven u kwaamt te ontgaan?

Hierop zal hij antwoorden:

Ja ik, van ganscher harte.

En daarna zal de Dienaar, die hem dit afgevraagd heeft (of een ander Dienaar, zoo er meer Dienaars zijn), hem de hand op het hoofd leggen (Nota: deze ceremonie zal men niet gebruiken bij de bevestiging dergenen die tevoren gediend hebben), en aldus spreken:

God, onze hemelsche Vader, die u geroepen heeft tot dezen heiligen dienst, verlichte u door zijnen Geest, versterke u door zijne hand, en regeere u zóó in uwe bediening, dat gij daarin behoorlijk en vruchtbaar moogt wandelen, tot grootmaking zijns naams, en tot uitbreiding van het Rijk zijns Zoons Jezus Christus, Amen.

Daarna zal de Dienaar van den Stoel den bevestigden Dienaar, en vervolgens de gansche Gemeente, aldus vermanen:

Zoo heb dan nu, geliefde Broeder en mededienaar in Christus, acht op uzelven en op de geheele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot een opziener gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door zijn eigen bloed. Heb Christus lief, en weid zijne schapen, hebbende opzicht daarover, niet uit bedwang, maar gewilliglijk; noch om vuil gewin, maar met een volvaardig gemoed; noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren, maar als een voorbeeld der kudde geworden zijnde. Wees een voorbeeld der geloovigen, in het woord, in wandel, in liefde, in den Geest, in geloof, in reinigheid. Houd aan in het lezen, in het vermanen, in het leeren; en verzuim de gave niet, die u gegeven is. Bedenk deze dingen, en wees hierin bezig, opdat uw toenemen openbaar zij in alles. Heb acht op de leer, en volhard daarin. Lijd geduldiglijk alle lijden en verdrukking, als een goed krijgsknecht van Christus. Deze dingen doende, zult gij èn uzelven behouden, èn die u hooren. En als de overste Herder verschenen zal zijn, zoo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen.

En gijlieden ook, geliefde Christenen, ontvangt dezen uwen Dienaar in den Heere met alle blijdschap, en houdt de zoodanigen in groote waarde. Gedenkt, dat God zelf u door hem aanspreekt en bidt. Neemt dan het woord aan, hetwelk hij u volgens de Heilige Schrift zal verkondigen, niet als der menschen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods woord. Laat u liefelijk en aangenaam zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, die het goede verkondigen. Zijt uwen voorgangeren gehoorzaam; want zij waken voor uwe zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde, en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig. Dit doende, zal het geschieden, dat de vrede Gods zal komen in uwe huizen, en dat gijlieden, die dezen aanneemt in den naam eens profeten, eens profeten loon zult ontvangen, en door zijn woord in Christus geloovende, door Christus zult beërven het eeuwige leven.

Doch aangezien niemand tot iets van alle deze dingen van zichzelven bekwaam is, zoo laat ons God aldus met dankzegging bidden:

Barmhartige Vader, wij danken U, dat het U belieft, uit het verloren menschelijk geslacht door den dienst der menschen U eene gemeente te vergaderen ten eeuwigen leven; en dat Gij de Kerk hier ter plaatse nog zoo genadiglijk voorzien hebt met eenen getrouwen Dienaar. Wij bidden U, wil hem door uwen Geest hoe langer hoe bekwamer maken tot den dienst, waartoe Gij hem bereid en geroepen hebt, hem openende het verstand, om uwe Heilige Schrift te verstaan, en hem sprake gevende tot opening zijns monds, om met vrijmoedigheid de verborgenheden des Evangelies te kennen te geven, en te bedienen. Begaaf hem met wijsheid en kloekheid, om het volk, waarover hij gesteld is, recht te regeeren, en in Christelijken vrede te onderhouden, ten einde uwe Kerk onder zijne bediening, en door zijnen goeden voorgang, toeneme in menigte en in deugden. Verleen hem kloekmoedigheid in alle voorvallende moeiten en zwarigheden, die hem in zijnen dienst zullen ontmoeten; opdat hij, door den troost uws Geestes gesterkt zijnde, en ten einde toe standvastig blijvende, met de getrouwe dienstknechten ontvangen worde in de vreugde zijns Heeren. Wil ook aan dit volk en deze gemeente uwe genade verleenen, dat zij zich behoorlijk gedragen jegens dezen hunnen Herder, hem erkennende als van U gezonden, zijne leer aannemende met allen eerbied, en aan zijne vermaning zich onderwerpende; teneinde zij, door zijn woord in Christus geloovende, des eeuwigen levens deelachtig mogen worden. Verhoor ons, o Vader, door uwen lieven Zoon, die ons aldus heeft leeren bidden:

Onze Vader, die in de hemelen zijt;

Uw naam worde geheiligd.

Uw koninkrijk kome.

Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde.

Geef ons heden ons dagelijksch brood.

En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.

En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze.

Want uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.