Bronnen

Liturgische formulieren

Formulieren · Formulier 3 van 8

Heilig Avondmaal

Formulier om het Heilig Avondmaal te houden

Van het Heilig Avondmaal des Heeren

Alle degenen, die zich tot de Gemeente Gods eerst begeven en tot het gebruik van des Heeren Avondmaal begeeren toegelaten te worden, moeten eerst in de hoofdstukken der Christelijke leer, uit den Woorde Gods, onderwezen zijn; waarvan in de Kerken zulke vorm of manier van onderwijzen gehouden wordt, als men acht het stichtelijkst te zijn.

En wanneer zij dan die hoofdstukken der leer in den grond bekend en beleden hebben, zoo vraagt men hun, of zij op eenig punt (aangaande de leer) eenigen twijfel hebben, opdat men hun moge genoegdoen. En indien zij zeggen: ja; zoo zoekt men hun uit de Heilige Schrift te voldoen.

Maar is het dat zij gerust zijn, zoo vraagt men hun, of zij voorgenomen hebben, bij de voorzeide leering te blijven, de wereld te verzaken, en een nieuw Christelijk leven te leiden.

Eindelijk vraagt men hun ook, of zij zich aan de Christelijke straf gewilliglijk onderwerpen willen.

En als zij dit beloofd hebben, zoo vermaant men hen tot vrede, liefde en eendrachtigheid met alle menschen, en tot vredemaking, zoo zij met iemand iets uitstaande hebben.

Geliefden in den Heere Jezus Christus, hoort aan de woorden der inzetting van het Heilig Avondmaal van onzen Heere Jezus Christus, welke ons beschrijft de Heilige Apostel Paulus, 1 Kor. XI: 23—29.

Ik heb van den Heere ontvangen, hetgene ik u ook overgegeven heb, dat de Heere Jezus, in den nacht in welken Hij verraden werd, het brood nam; en als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet; dat is mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot mijne gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker na het eten des Avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het nieuwe Testament in mijn bloed; doet dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis. Want zoo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt. Zoo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet, of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren. Maar de mensch beproeve zichzelven, en ete alzoo van het brood, en drinke van den drinkbeker. Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.

Opdat wij nu tot onzen troost des Heeren Avondmaal mogen houden, is ons vóór alle dingen noodig, dat wij ons tevoren recht beproeven; ten andere, dat wij het tot dat einde richten, waartoe het de Heere Christus verordineerd en ingesteld heeft, namelijk, tot zijne gedachtenis.

De waarachtige beproeving van onszelven bestaat in deze drie stukken:

Ten eerste, bedenke een iegelijk bij zichzelven zijne zonden en vervloeking, opdat hij zichzelven mishage, en zich voor God verootmoedige; aangezien de toorn Gods tegen de zonde zóó groot is, dat Hij die (eer Hij ze ongestraft liet blijven) aan zijnen lieven Zoon Jezus Christus, met den bitteren en smadelijken dood des kruises gestraft heeft.

Ten andere, onderzoeke een iegelijk zijn hart, of hij ook deze gewisse belofte Gods gelooft, dat hem alle zijne zonden, alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus, vergeven zijn, en de volkomene gerechtigheid van Christus hem als zijne eigene toegerekend en geschonken is, ja zoo volkomen, als of hij zelf in eigen persoon voor alle zijne zonden betaald, en alle gerechtigheid volbracht had.

Ten derde, onderzoeke een iegelijk zijne consciëntie, of hij ook gezind is, voortaan met zijn gansche leven waarachtige dankbaarheid jegens God den Heere te bewijzen, en voor het aangezichte Gods oprechtelijk te wandelen; insgelijks, of hij zonder eenige geveinsdheid (alle vijandschap, haat en nijd van harte afleggende) een ernstig voornemen heeft, om van nu voortaan in waarachtige liefde en eenigheid met zijne naasten te leven.

Allen dan die alzoo gezind zijn, die wil God gewisselijk in genade aannemen, en voor waardige medegenooten van de tafel zijns Zoons Jezus Christus houden. Daarentegen die dit getuigenis in hunne harten niet gevoelen, die eten en drinken zichzelven een oordeel. Waarom wij ook, naar het bevel van Christus en van den Apostel Paulus, allen die zich met deze navolgende ergerlijke zonden besmet weten, vermanen, van de tafel des Heeren zich te onthouden, en hun verkondigen, dat zij geen deel in het rijk van Christus hebben; als daar zijn: alle afgodendienaars; allen, die verstorvene heiligen, engelen of andere schepselen aanroepen; allen, die den beelden eere aandoen; alle toovenaars en waarzeggers, die vee of menschen, mitsgaders andere dingen, zegenen, en die aan zulke zegening geloof hechten; alle verachters van God, van zijn Woord, en van de Heilige Sacramenten; alle Godslasteraars; allen, die tweedracht, sekten en muiterij in kerken en wereldrijke regeeringen begeeren aan te richten; alle meineedigen; allen, die hunnen ouderen en overheden ongehoorzaam zijn; alle doodslagers, kijvers, en die in haat en nijd tegen hunne naasten leven; alle echtbrekers, hoereerders, dronkaards, dieven, woekeraars, roovers, spelers, gierigaards, en alle degenen, die een ergerlijk leven leiden. Deze allen, zoo lang zij in zulke zonden blijven, zullen zich van deze spijze (welke Christus alleen voor zijne geloovigen verordineerd heeft) onthouden, opdat hun gericht en verdoemenis niet des te zwaarder worde.

Maar dit wordt ons, geliefde Broeders en Zusters, niet voorgehouden, om de verslagene harten der geloovigen kleinmoedig te maken, alsof niemand tot het Avondmaal des Heeren gaan mocht, dan die zonder eenige zonde ware. Want wij komen niet tot dit Avondmaal, om daarmede te betuigen, dat wij in onszelven volkomen en rechtvaardig zijn; maar integendeel, aangezien wij ons leven buiten onszelven in Jezus Christus zoeken, zoo bekennen wij daarmede, dat wij midden in den dood liggen. Daarom, al is het dat wij nog vele gebreken en ellendigheid in ons bevinden, als namelijk: dat wij geen volkomen geloof hebben, dat wij ons ook met zulken ijver om God te dienen niet begeven, als wij schuldig zijn; maar dagelijks met de zwakheid onzes geloofs, en de booze lusten onzes vleesches te strijden hebben; nochtans, desniettegenstaande, overmits ons (door de genade des Heiligen Geestes) zulke gebreken van harte leed zijn, en wij begeeren tegen ons ongeloof te strijden, en naar alle geboden Gods te leven; zoo zullen wij gewis en zeker zijn, dat geene zonde noch zwakheid, die nog (tegen onzen wil) in ons overgebleven is, ons kan hinderen, dat ons God niet in genade zoude aannemen, en alzoo dezer hemelsche spijze en drank waardig en deelachtig maken.

Ten andere, laat ons nu ook overdenken, waartoe ons de Heere zijn Avondmaal heeft ingezet: namelijk, dat wij zulks doen zouden tot zijne gedachtenis. Maar aldus zullen wij Zijner daarbij gedenken:

Eerstelijk, dat wij ganschelijk in onze harten vertrouwen, dat onze Heere Jezus Christus (naar luid van de beloften, die den voorvaderen in het oude Testament van den beginne af geschied zijn) van den Vader in deze wereld gezonden is, ons vleesch en bloed heeft aangenomen, den toorn Gods (onder welken wij eeuwiglijk hadden moeten verzinken) van het begin zijner menschwording tot het einde zijns levens op aarde voor ons heeft gedragen, en alle gehoorzaamheid en gerechtigheid der Goddelijke wet voor ons heeft vervuld; voornamelijk, toen Hem de last van onze zonden, en van den toorn Gods, het bloedige zweet in den Hof uitgedrukt heeft; waar Hij gebonden werd, opdat Hij ons zoude ontbinden; daarna ontallijke smaadheden geleden heeft, opdat wij nimmermeer te schande zouden worden; onschuldig ter dood veroordeeld is, opdat wij voor het gerichte Gods zouden vrijgesproken worden; ja zijn gezegend lichaam aan het kruis heeft laten nagelen, opdat Hij het handschrift onzer zonden daaraan zoude hechten; en heeft alzoo de vervloeking van ons op Zich geladen, opdat Hij ons met zijne zegening vervullen zoude; en heeft Zich vernederd tot in de allerdiepste versmaadheid en angst der helle, met lichaam en ziele, aan het hout des kruises, toen Hij riep met luider stemme: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? opdat wij tot God zouden genomen, en nimmermeer van Hem verlaten worden; en heeft eindelijk met zijnen dood en bloedstorting het nieuwe en eeuwige Testament, het verbond der genade en der verzoening, besloten, toen Hij zeide: Het is volbracht.

En opdat wij vastelijk zouden gelooven, dat wij tot dit genadeverbond behooren, nam de Heere Jezus in zijn laatste Avondmaal het brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en gaf het zijnen discipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt; doet dat tot mijne gedachtenis. Desgelijks, na het Avondmaal, nam Hij den drinkbeker, en gedankt hebbende gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit; deze drinkbeker is het nieuwe Testament in mijn bloed, hetwelk voor u en voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden; doet dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis; dat is: zoo dikwijls als gij van dit brood eet, en van dezen beker drinkt, zult gij daardoor, als door eene gewisse gedachtenis en pand, vermaand en verzekerd worden van deze mijne hartelijke liefde en trouw jegens u, dat Ik voor u (daar gij anders den eeuwigen dood hadt moeten sterven) mijn lichaam aan het hout des kruises in den dood geve, en mijn bloed vergiete, en uwe hongerige en dorstige zielen met dit mijn gekruisigde lichaam en vergoten bloed tot het eeuwige leven spijze en lave, even zekerlijk, als eenen iegelijk dit brood voor zijne oogen gebroken, en deze beker hem gegeven wordt, en gij die tot mijne gedachtenis met uwen mond eet en drinkt.

Uit deze inzetting des Heiligen Avondmaals van onzen Heere Jezus Christus zien wij, dat Hij ons geloof en betrouwen op zijne volkomene offerande (die eenmaal aan het kruis geschied is) als op den eenigen grond en fondament onzer zaligheid wijst, waar Hij onzen hongerigen en dorstigen zielen tot eene waarachtige spijze en drank des eeuwigen levens geworden is. Want door zijnen dood heeft Hij de oorzaak van onzen eeuwigen honger en kommer, namelijk, de zonde, weggenomen, en ons den levendmakenden Geest verworven; opdat wij door dien Geest (die in Christus, als in het Hoofd, en in ons als zijne lidmaten woont) met Hem waarachtige gemeenschap zouden hebben, en alle zijne goederen, het eeuwige leven, de gerechtigheid en de heerlijkheid, deelachtig worden.

Daarbenevens, dat wij ook door denzelfden Geest onder malkanderen, als lidmaten van één lichaam, in waarachtige broederlijke liefde verbonden worden; gelijk de Heilige Apostel spreekt: Eén brood is het, zoo zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn. Want gelijk uit vele graankorrels één meel gemalen, en één brood gebakken wordt, en uit vele bezien, samengeperst zijnde, één wijn en drank vliet, en zich ondereen vermengt; alzoo zullen wij allen, die door het waarachtig geloof Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde, om Christus onzes lieven Zaligmakers wille, die ons tevoren zoo uitnemend heeft liefgehad, allen te zamen één lichaam zijn, en zulks niet alleen met woorden, maar ook met de daad jegens malkanderen bewijzen.

Daartoe helpe ons de almachtige, barmhartige God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, door zijnen Heiligen Geest. Amen.

Opdat wij dan dit alles mogen verkrijgen, laat ons onszelven voor God verootmoedigen, en Hem met waarachtig geloof om zijne genade aanroepen:

Barmhartige God en Vader, wij bidden U, dat Gij in dit Avondmaal (waarin wij oefenen de heerlijke gedachtenis van den bitteren dood van uwen lieven Zoon Jezus Christus) door uwen Heiligen Geest in onze harten wilt bewerken, dat wij ons met waarachtig vertrouwen aan uwen Zoon Jezus Christus hoe langer hoe meer overgeven, opdat onze bezwaarde en verslagene harten met zijn waarachtig lichaam en bloed, ja met Hem, waarachtig God en mensch, het eenige hemelsche brood, door de kracht des Heiligen Geestes gespijzigd en gelaafd worden; en dat wij niet meer in onze zonden, maar Hij in ons, en wij in Hem leven, en zóó waarachtiglijk het nieuwe en eeuwige Testament en Verbond der genade deelachtig zijn mogen, dat wij niet twijfelen of Gij zult eeuwiglijk onze genadige Vader zijn, ons onze zonden nimmermeer toerekenende, en met alle dingen aan lichaam en ziele verzorgende, als uwe lieve kinderen en erfgenamen.

Verleen ons ook uwe genade, dat wij, getroost ons kruis op ons nemende, onszelven verloochenen, onzen Heiland belijden, en in alle droefenis met een opgeheven hoofd onzen Heere Jezus Christus uit den hemel verwachten, waar Hij onze sterfelijke lichamen aan zijn verheerlijkt lichaam gelijk maken, en ons tot Zich nemen zal in eeuwigheid.

Verhoor ons, o God en barmhartige Vader, door Jezus Christus, die ons aldus heeft leeren bidden:

Onze Vader, die in de hemelen zijt;

Uw naam worde geheiligd.

Uw koninkrijk kome.

Uw wil geschiede, gelijk in den alzoo ook op de aarde.

Geef ons heden ons dagelijksch brood.

En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.

En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze.

Want uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid.

Wil ons ook door dit Heilig Avondmaal sterken in het algemeen ongetwijfeld Christelijk geloof, waarvan wij belijdenis doen met mond en hart, sprekende:

Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.

En in Jezus Christus, zijnen eeniggeborenen Zoon, onzen Heere; die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria; die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle; ten derden dage wederom opgestaan van de dooden; opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders; van waar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.

Ik geloof in den Heiligen Geest. Ik geloof eene heilige, algemeene, Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen; vergeving der zonden; wederopstanding des vleesches; en een eeuwig leven. Amen.

Opdat wij dan met het waarachtige hemelsche brood Christus gespijzigd mogen worden, zoo laat ons met onze harten niet aan het uiterlijke brood en wijn blijven hangen; maar onze harten opwaarts in den hemel verheffen, waar Jezus Christus is, onze Voorspraak, ter rechterhand zijns hemelschen Vaders, waarheen ons ook de Artikelen van ons Christelijk geloof wijzen; niet twijfelende, of wij zullen zoo waarachtiglijk door de werking des Heiligen Geestes met zijn lichaam en bloed aan onze zielen gespijzigd en gelaafd worden, als wij het heilige brood en drank tot zijne gedachtenis ontvangen.

Bij het breken en uitdeelen des Broods spreekt de Dienaar:

Het brood, dat wij breken, is de gemeenschap des lichaams van Christus. Neemt, eet, gedenkt en gelooft, dat het lichaam onzes Heeren Jezus Christus gebroken is tot eene volkomene verzoening van alle onze zonden.

En als hij den Drinkbeker geeft:

De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is de gemeenschap des bloeds van Christus. Neemt, drinkt allen daaruit, gedenkt en gelooft, dat het dierbaar bloed onzes Heeren Jezus Christus vergoten is tot eene volkomene verzoening van alle onze zonden.

Terwijl men communieert, zal men stichtelijk zingen, of sommige kapittelen lezen, ter gedachtenis des lijdens van Christus dienende, als Jes. LIII. Joh. VI, XIII, XIV, XV, XVI, XVII, XVIII, of dergelijke.

De bediening geëindigd zijnde, zal de Dienaar spreken:

Geliefden in den Heere, dewijl de Heere nu aan zijne tafel onze zielen gespijzigd heeft, zoo laat ons altezamen zijnen naam met dankzegging prijzen; en een iegelijk spreke in zijn hart aldus [Ps. CIII]:

1. Loof den HEERE, mijne ziele, en al wat binnen in mij is, zijnen heiligen naam.

2. Loof den HEERE, mijne ziele, en vergeet geene van zijne weldaden.

3. Die al uwe ongerechtigheid vergeeft; die alle uwe krankheden geneest;

4. Die uw leven verlost van het verderf; die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden.

8. Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.

9. Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden.

10. Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.

11. Want zoo hoog de hemel is boven de aarde, is zijne goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vreezen.

12. Zoo verre het oosten is van het westen, zoo verre doet Hij onze overtredingen van ons.

13. Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt zich de HEERE over degenen, die Hem vreezen.

Die ook zijnen eigenen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, en ons alles met Hem geschonken. Daarom, bevestigt God daarmede zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren, zoo zullen wij ook veel meer door Hem behouden worden van zijnen toorn, nadat wij door zijn bloed gerechtvaardigd zijn. Want indien wij met God verzoend zijn door den dood zijns Zoons, toen wij nog vijanden waren, veel meer zullen wij behouden worden door zijn leven, nadat wij met Hem verzoend zijn. Daarom zal mijn mond en hart des Heeren lof verkondigen, van nu aan tot in der eeuwigheid. Amen.

O barmhartige God en Vader, wij danken U van ganscher harte, dat Gij uit grondelooze barmhartigheid ons uwen eeniggeborenen Zoon tot eenen Middelaar en offer voor onze zonden, en tot eene spijze en drank des eeuwigen levens geschonken hebt; en dat Gij ons geeft een waarachtig geloof, waardoor wij zulke uwe weldaden deelachtig worden. Gij hebt ons ook, tot sterking daarvan, door uwen lieven Zoon Jezus Christus het Heilig Avondmaal laten instellen en verordenen. Wij bidden U, o getrouwe God en Vader, dat Gij door de werking uws Heiligen Geestes de gedachtenis van onzen Heere Jezus Christus, en de verkondiging van zijnen dood, ons tot dagelijksch toenemen in het rechte geloof, en in de zalige gemeenschap van Christus wilt laten gedijen; door Hem, uwen lieven Zoon Jezus Christus; in wiens naam wij onze gebeden besluiten, gelijk Hij ons geleerd heeft, zeggende:

Onze Vader, die in de hemelen zijt,

Uw naam worde geheiligd.

Uw koninkrijk kome.

Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde.

Geef ons heden ons dagelijksch brood.

En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.

En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze.

Want uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.