Formulieren · Formulier 4 van 8
Afsnijding (ban)
Formulier des Bans of der afsnijding van de Gemeente
Geliefden in den Heere Jezus Christus, het is u bekend, dat wij nu op onderscheidene tijden bij zekere trappen u voorgehouden hebben, welk eene groote zonde en zware ergernis onze medelidmaat N. gedaan en gegeven heeft; ten einde hij, door uwe Christelijke vermaningen en gebeden, tot God zich mocht bekeeren, en uit den strik des duivels (die hem gevangen houdt tot zijnen wil) los geworden zijnde, ontwaken mocht tot den wil des Heeren. Maar wij kunnen u met groote droefheid niet verbergen, dat ons tot nog toe niemand is verschenen, die in het minste te verstaan gegeven heeft, dat hij, door de menigvuldige vermaningen aan hem gedaan (zoo in het bijzonder, als voor getuigen, en in tegenwoordigheid van velen), gekomen zoude zijn tot eenig berouw over zijne zonde, of eenig teeken van ware boetvaardigheid aan zich heeft laten merken. Dewijl hij dan zijne overtreding, op zichzelve niet klein zijnde, door zijne hardnekkigheid dagelijks nog grooter maakt, en wij u laatstmaal aangezegd hebben, dat wij, in geval hij, na zoo lang geduld dat de Kerk met hem gehad heeft, zich niet bekeerde, gedwongen zouden zijn ons verder over hem te bedroeven, en tot de uiterste remedie te komen; zoo zijn wij genoodzaakt nu tegen woordiglijk voort te varen tot zijne afsnijding, volgens het bevel en den last, ons gegeven in Gods Heilig Woord, ten einde hij hierdoor (zoo het mogelijk is) tot schaamte over zijne zonden gebracht worde; opdat men ook door dit verrottende en tot nog toe ongeneeselijke lid het geheele lichaam der Gemeente niet in gevaar stelle, en de naam Gods niet gelasterd worde.
Daarom wij, Dienaars en Voorstanders der gemeente Gods alhier, vergaderd zijnde in den naam en de macht van onzen Heere Jezus Christus, verklaren voor u allen, dat N., om de voorzeide oorzaken, uitgesloten is, en wordt uitgesloten mits dezen, buiten de Gemeente des Heeren, en vreemd is aan de gemeenschap van Christus, van de Heilige Sacramenten, en van alle geestelijke zegeningen en weldaden Gods, die Hij aan zijne Gemeente belooft en bewijst, zoo lang hij hardnekkigen onboetvaardig blijft in zijne zonden, en is daarom door ulieden te houden als de heiden en tollenaar, naar het bevel van Christus, die zegt, in den hemel gebonden te zijn, al wat zijne Dienaars binden op de aarde.
Voorts vermanen wij u, geliefde Christenen, dat gij u niet vermengt met hem, opdat hij beschaamd worde; nochtans hem niet houdende als vijand, maar bij wijlen vermanende, gelijk men eenen broeder doet.
Intusschen spiegele zich een iegelijk aan dit en dergelijke voorbeelden, om den Heere te vreezen, en naarstiglijk voor zich toe te zien, indien hij meent te staan, dat hij niet valle, maar ware gemeenschap hebbende met den Vader en zijnen Zoon Christus, mitsgaders met alle geloovige Christenen, daarin volstandig blijve tot den einde toe, en alzoo de eeuwige zaligheid verkrijge. Gij hebt gezien, lieve broeders en zusters, op welke wijze deze onze afgesneden broeder heeft begonnen te vervallen, en allengskens meer en meer gekomen is tot den val. Merkt dan aan hem, hoe listig de satan is om den mensch te brengen tot het verderf, en af te trekken van alle heilzame middelen ter zaligheid. Zoo wacht u dan mede voor de minste beginselen des kwaads, en, naar de vermaning des Apostels, afleggende allen last, en de zonde die ons lichtelijk omringt, loopt met lijdzaamheid de loopbaan, die ons is voorgesteld, ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus. Zijt nuchteren, waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking valt. Heden, zoo gij de stemme des Heeren hoort, verhardt uw hart niet; maar werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven; en een iegelijk hebbe berouw van zijne zonde; opdat onze God ons niet wederom vernedere, en dat wij rouwe zouden moeten hebben over iemand van ulieden; maar dat gij, eendrachtiglijk in Godzaligheid levende, onze kroon en blijdschap moogt wezen in den Heere.
Doch aangezien het God is, die in ons werkt, beide het willen en het werken, naar zijn welbehagen, zoo laat ons zijnen heiligen naam, met belijdenis onzer zonden, aldus aanroepen:
O rechtvaardige God, barmhartige Vader, wij klagen onszelven aan vanwege onze zonden voor uwe hooge majesteit, en bekennen wel verdiend te hebben de droefheid en smart, die ons is aangedaan in de afsnijding van dezen onzen gewezen medelidmaat, ja wij zijn allen waardig, om van U afgesneden en verbannen te worden, om onzer groote overtreding wille, zoo Gij met ons in het gericht wilt treden. Maar, o Heere, wees ons genadig om Christus wille, vergeef ons onze misdaden, want zij zijn ons van harte leed, en werk in onze harten hoe langer hoe meer leedwezen daarover, opdat wij, uwe oordeelen vreezende, die Gij laat gaan over de hardnekkigen, ons mogen benaarstigen, om U te behagen. Geef, dat wij ons wachten voor alle besmetting der wereld, en dergenen, die van de gemeenschap der Kerk zijn afgesneden; opdat wij ons hunner zonden niet deelachtig maken, en dat de afgesnedene beschaamd worde over zijne zonden. En aangezien Gij geenen lust hebt in den dood des zondaars, maar daarin dat hij zich bekeere en leve; en de schoot uwer Kerk altijd open staat voor degenen die wederkeeren; zoo ontsteek ons toch met eenen goeden ijver, dat wij met goede Christelijke vermaningen en voorbeelden zoeken wederom te recht te brengen dezen afgesneden persoon, mitsgaders alle degenen, die door ongeloof of roekeloosheid des levens afwijken. Geef uwen zegen tot onze vermaningen, ten einde wij daardoor oorzaak mogen hebben, ons weder te verblijden in degenen, waarover wij nu rouwe moeten dragen, en dat alzoo uw heilige naam geprezen worde, door onzen Heere Jezus Christus, die ons aldus heeft leeren bidden:
Onze Vader, die in de hemelen zijt;
Uw naam worde geheiligd.
Uw koninkrijk kome.
Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijksch brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze.
Want uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.