Oude Testament · boek 26 van 66
Ezechiël
De heerlijkheid van God verlaat de tempel en komt terug.
- Genre
- Grote profeten
- Omvang
- 48 hoofdstukken
- Kernverzen
- Ezechiël 1:28 · Ezechiël 18:32 · Ezechiël 36:26 · Ezechiël 37:5
Waar gaat Ezechiël over?
Ezechiël gaat over Gods heerlijkheid die om de zonde van het volk de tempel in Jeruzalem verlaat, en over de belofte dat Hij terugkeert. De priester-profeet spreekt onder de ballingen in Babel eerst oordeel uit en daarna herstel: een nieuw hart, een nieuwe Geest en een nieuwe tempel.
Ezechiël is priester, maar hij zit in Babel en er is geen tempel om in te dienen. Zijn boek begint met een van de vreemdste visioenen in de Bijbel: een troonwagen met wielen vol ogen en vier levende wezens. De pointe is dat God niet aan Jeruzalem vastzit - Hij is ook hier, bij de ballingen aan de rivier Kebar.
Ezechiël krijgt opdrachten die je bij niemand anders vindt. Hij ligt maandenlang op één zij, bakt brood op een afgemeten rantsoen, scheert zijn haar af en verdeelt het in drieën, en mag na de dood van zijn vrouw niet rouwen. Zijn lichaam wordt de preek.
Het scharnier is de val van Jeruzalem halverwege het boek. Daarvoor is de boodschap oordeel, daarna herstel: het dal van dorre beenderen dat weer gaat leven, een hart van vlees in plaats van steen, en negen slothoofdstukken over een nieuwe tempel waaruit een rivier stroomt. De laatste woorden zijn de nieuwe naam van de stad: 'de HEERE is aldaar'.
Wie schreef Ezechiël?
Ezechiël, de zoon van Buzi, uit een priesterfamilie. Hij werd in 597 v.Chr. met koning Jojachin naar Babel weggevoerd en schreef grotendeels in de ik-vorm.
Zijn roeping vindt plaats buiten het land Israël: aan de rivier Kebar, bij de ballingennederzetting Tel-Abib (3:15). Het boek is strak geordend en bijna overal nauwkeurig gedateerd, wat op één schrijvende hand wijst. Vrijwel alle uitleggers, ook kritische, schrijven de kern aan Ezechiël zelf toe; sommigen rekenen met latere bewerking door leerlingen. Hij was een tijdgenoot van Jeremia, die in Jeruzalem bleef, en noemt Daniël als voorbeeld van rechtvaardigheid (14:14).
Wanneer is Ezechiël geschreven?
Tussen ongeveer 593 en 571 v.Chr. Het boek dateert de profetieën zelf: de eerste in het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin (1:2), de laatste in het zevenentwintigste jaar (29:17).
De eerste hoorders waren Judeeërs die al in Babel woonden, terwijl Jeruzalem nog overeind stond. Velen hielden vol dat de stad met de tempel van de HEERE onmogelijk kon vallen en dat de ballingschap kort zou duren. Ezechiël moest die hoop afbreken. In 586 v.Chr. verwoestte Nebukadnezar stad en tempel, en in hoofdstuk 33 bereikt het bericht de ballingen. Vanaf dat moment verschuift de boodschap naar troost: God is niet klaar met Zijn volk.
Opbouw van Ezechiël
Ezechiël 1-3Roeping
Aan de rivier Kebar ziet Ezechiël storm, vuur, vier levende wezens en wielen, met daarboven een troon en de gelijkenis van een mens. Hij valt op zijn aangezicht. Daarna moet hij een boekrol eten die aan beide zijden beschreven is met klacht en wee, en die toch zoet smaakt als honing. God stelt hem aan tot wachter over het huis Israëls: wie hij niet waarschuwt, diens bloed wordt van zijn hand geëist.
Ezechiël 4-24Oordeel over Jeruzalem
Ezechiël speelt het beleg van Jeruzalem na met een tichelsteen, ligt dagenlang op één zij en scheert zijn haar af. In de hoofdstukken 8 tot en met 11 wordt hij in een visioen naar de tempel gebracht, ziet daar afgoderij tot in de binnenste voorhof, en ziet de heerlijkheid van de HEERE wegtrekken naar de berg ten oosten van de stad. Het blok eindigt met het begin van het beleg en de dood van zijn vrouw, over wie hij niet mag rouwen.
Ezechiël 25-32Over de volken
Terwijl Jeruzalem belegerd wordt, richt Ezechiël zich tot de buurvolken: Ammon, Moab, Edom en de Filistijnen, en uitvoerig tot Tyrus en Egypte. Tyrus, de rijke handelsstad, wordt beschreven als een prachtig schip dat toch zinkt (hoofdstuk 27), en haar vorst denkt dat hij een god is. Egypte, waar Juda steeds op hoopte, blijkt een rietstaf die breekt wie erop leunt (29:6-7). Geen macht naast God is een veilige schuilplaats.
Ezechiël 33-39Herstel
Na het bericht dat de stad gevallen is, krijgt Ezechiël opnieuw de wachtersopdracht, nu met een uitnodiging tot bekering. God klaagt de herders van Israël aan die zichzelf weiden, en belooft Zelf Zijn schapen te zoeken, met Zijn knecht David als herder (hoofdstuk 34). Hij zal Zijn volk reinigen en een nieuw hart geven. De twee delen van het volk worden weer één, en de strijd tegen Gog laat zien dat geen vijand dat herstel nog ongedaan maakt.
Ezechiël 40-48De nieuwe tempel
In het vijfentwintigste jaar van de ballingschap wordt Ezechiël in een visioen naar een hoge berg gebracht, waar een man met een meetriet de tempel opmeet, poort voor poort. Dan keert de heerlijkheid van de HEERE terug, door de oostpoort waarlangs zij was vertrokken. Onder de drempel ontspringt een rivier die steeds dieper wordt en zelfs het zoute water van de zee gezond maakt. Het land wordt opnieuw onder de stammen verdeeld, en de stad krijgt een nieuwe naam.
Kernthema's in Ezechiël
De heerlijkheid van God
Het boek draait om Gods aanwezigheid. Hij verschijnt aan een rivier in Babel (hoofdstuk 1), verlaat de ontheiligde tempel (hoofdstuk 10 en 11) en komt terug in een nieuw heiligdom (43:1-5). God is niet aan een gebouw gebonden, maar Hij wil wel wonen te midden van Zijn volk.
Persoonlijke verantwoordelijkheid
De ballingen zeiden dat zij boetten voor de zonden van hun vaders, en citeerden een spreekwoord over onrijpe druiven. Ezechiël weerspreekt dat: ieder staat zelf voor God, en wie zich bekeert, zal leven (hoofdstuk 18). God heeft geen lust in de dood van de goddeloze, maar daarin dat hij zich bekeert en leeft (33:11).
Een nieuw hart en een nieuwe Geest
Het volk kan zichzelf niet vernieuwen. Daarom belooft God het stenen hart weg te nemen, een hart van vlees te geven en Zijn Geest in hun binnenste te leggen (36:26-27). Het visioen van de dorre beenderen (37:1-14) maakt zichtbaar dat dit werkelijk opstanding uit de dood is.
Bekende gedeelten uit Ezechiël
De troonwagen
Ezechiël 1Vier levende wezens, wielen vol ogen en een troon als saffier: Gods heerlijkheid verschijnt in het land van de ballingschap.
De ziel die zondigt
Ezechiël 18Ieder draagt zijn eigen schuld, en de weg terug staat open: 'daarom bekeert u, en leeft' (18:32).
God als Herder
Ezechiël 34Tegenover leiders die de kudde uitbuiten, belooft God Zelf Zijn verstrooide schapen te zoeken en te weiden.
Het dal van de dorre beenderen
Ezechiël 37Een vlakte vol verdroogde botten komt tot leven door het woord van de profeet en de adem van de Geest.
De rivier uit de tempel
Ezechiël 47Water uit het heiligdom dat steeds dieper wordt, met aan de oevers bomen waarvan de bladeren tot genezing zijn.
Ezechiël in het geheel van de Bijbel
Ezechiël staat naast Jeremia: twee mannen uit priesterfamilies die dezelfde ramp op twee plaatsen doormaken, Jeremia in Jeruzalem en Ezechiël in Babel. Beiden beloven een nieuw verbond waarin God het hart zelf verandert (Jeremia 31:31-34; Ezechiël 36:26-27). Christenen zien die belofte vervuld in de uitstorting van de Heilige Geest.
Jezus noemt Zichzelf de goede Herder (Johannes 10) tegen de achtergrond van Ezechiël 34. Openbaring neemt veel beelden van Ezechiël over: de levende wezens rond de troon, de boekrol die gegeten wordt, Gog en Magog, en de rivier van het water des levens (Openbaring 4, 10, 20 en 22). Zo wijst het boek naar de God die in Christus onder de mensen komt wonen.
Studievragen bij Ezechiël
Volg de heerlijkheid van God door het boek: waar komt zij, waar gaat zij weg, en waar keert zij terug?
Wat is de kern van hoofdstuk 18 over persoonlijke verantwoordelijkheid?
Wat betekent het dorre-beenderenvisioen voor de eerste hoorders in ballingschap?
Ezechiël lezen
Begin met hoofdstuk 1 tot en met 3, lees daarna 8 tot en met 11 en 33 tot en met 37: dan heb je de lijn van roeping, vertrek van Gods heerlijkheid en herstel. Let op het refrein dat Israël en de volken zullen weten dat Hij de HEERE is; het komt tientallen keren terug. De tempelhoofdstukken 40 tot en met 48 lees je het best met een plattegrond ernaast.
De 48 hoofdstukken van Ezechiël
- Ezechiël 1
- Ezechiël 2
- Ezechiël 3
- Ezechiël 4
- Ezechiël 5
- Ezechiël 6
- Ezechiël 7
- Ezechiël 8
- Ezechiël 9
- Ezechiël 10
- Ezechiël 11
- Ezechiël 12
- Ezechiël 13
- Ezechiël 14
- Ezechiël 15
- Ezechiël 16
- Ezechiël 17
- Ezechiël 18
- Ezechiël 19
- Ezechiël 20
- Ezechiël 21
- Ezechiël 22
- Ezechiël 23
- Ezechiël 24
- Ezechiël 25
- Ezechiël 26
- Ezechiël 27
- Ezechiël 28
- Ezechiël 29
- Ezechiël 30
- Ezechiël 31
- Ezechiël 32
- Ezechiël 33
- Ezechiël 34
- Ezechiël 35
- Ezechiël 36
- Ezechiël 37
- Ezechiël 38
- Ezechiël 39
- Ezechiël 40
- Ezechiël 41
- Ezechiël 42
- Ezechiël 43
- Ezechiël 44
- Ezechiël 45
- Ezechiël 46
- Ezechiël 47
- Ezechiël 48