Bronnen

Kort Begrip der christelijke religie

Kort Begrip · Deel 3 van 4

Deel 2

Van des menschen verlossing uit zijne ellende

14

Hoe kunt gij deze straffen ontgaan, en wederom tot genade komen?

Door zulk eenen middelaar, die tegelijk waarachtig God en een waarachtig rechtvaardig mensch is.

15

Wie is die middelaar?

Onze Heere Jezus Christus, die in één persoon waarachtig God en een waarachtig rechtvaardig mensch is.

16

Kunnen de engelen onze middelaars niet zijn?

Neen zij; want zij zijn noch God noch menschen.

17

Kunnen de heiligen onze middelaars niet zijn?

Neen zij; want zij hebben zelven gezondigd, en zijn niet anders dan door dezen eenigen Middelaar zalig geworden.

18

Zullen ook alle menschen door den Middelaar Jezus zalig worden, gelijk zij allen door Adam zijn verdoemd geworden?

Neen zij; maar alleen, die Hem met een waar geloof aannemen; gelijk geschreven staat, Joh. III: 16: Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijnen eeniggeborenen Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

19

Wat is een waar geloof?

Het is eene stellige kennis van God, en van zijne beloften, ons in het Evangelie geopenbaard, en een hartelijk vertrouwen, dat mij alle mijne zonden om Christus' wille vergeven zijn.

20

Wat is de hoofdsom van hetgene ons God in het Evangelie belooft, en bevolen heeft te gelooven?

Dat is begrepen in de twaalf Artikelen des algemeenen Christelijken geloofs, die aldus luiden:

1. Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.

2. En in Jezus Christus, zijnen eeniggeborenen Zoon, onzen Heere; 3. die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria; 4. die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle; 5. ten derden dage wederom opgestaan van de dooden; 6. opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders; 7. van waar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.

8. Ik geloof in den Heiligen Geest. 9. Ik geloof eene heilige, algemeene, Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen; 10. vergeving der zonden; 11. wederopstanding des vleesches; 12. en een eeuwig leven.

21

Als gij belijdt te gelooven in God den Vader, en den Zoon, en den Heiligen Geest, bedoelt gij daarmede drie Goden?

Neen ik geenszins; want er is maar één eenig waarachtig God.

22

Waarom noemt gij dan drie: den Vader, den Zoon, en den Heiligen Geest?

Omdat God zich alzoo in zijn Woord heeft geopenbaard, dat deze drie onderscheidene Personen de eenige en waarachtige God zijn; gelijk wij ook gedoopt zijn in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.

23

Wat gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde?

Dat de eeuwige Vader onzes Heeren Jezus Christus, die hemel en aarde uit niet geschapen heeft, en nog door zijne voorzienigheid onderhoudt, om zijns Zoons Christus' wille mijn God en mijn Vader is.

24

Wat gelooft gij met deze woorden: En in Jezus Christus, zijnen eeniggeborenen Zoon, onzen Heere?

Dat Jezus Christus de eeuwige en eenige Zoon des Vaders is, éénswezens met God den Vader, en den Heiligen Geest.

25

Gelooft gij niet, dat Hij ook mensch geworden is?

Ja ik; want Hij is ontvangen van den Heiligen Geest, en geboren uit de maagd Maria.

26

Is dan zijne Godheid veranderd in menschheid?

Neen; want de Godheid is onveranderlijk.

27

Hoe is Hij dan mensch geworden?

Door aanneming der menschheid in eenigheid zijns persoons.

28

Heeft Hij dan zijne menschheid uit den hemel gebracht?

Neen Hij; maar Hij heeft die aangenomen uit de maagd Maria, door de werking des Heiligen Geestes; en is alzoo ons, zijnen broederen, in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde; Hebr. II: 17 en IV: 15.

29

Waarom wordt Hij Jezus, dat is, Zaligmaker, genoemd?

Omdat Hij zijn volk zalig maakt van hunne zonden.

30

Is er anders geen Zaligmaker?

Neen; want er is ook onder den hemel geen andere naam die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden, dan de naam van Jezus; Hand. IV: 12.

31

Waarom wordt Hij Christus, dat is, Gezalfde, genoemd?

Omdat Hij met den Heiligen Geest is gezalfd, en van God den Vader verordend, tot onzen grooten Profeet, tot onzen eenigen Hoogepriester, en tot onzen eeuwigen Koning.

32

Wat heeft dan Jezus Christus gedaan, om ons zalig te maken?

Hij heeft voor ons geleden, is gekruisigd, en gestorven, is begraven, en nedergedaald ter helle, dat is, Hij heeft de helsche pijn geleden; en is alzoo zijnen Vader gehoorzaam geworden, opdat Hij ons van de tijdelijke en eeuwige straffen der zonde verlossen zoude.

33

In welke natuur heeft Hij dit geleden?

Alleen in zijne menschelijke natuur, dat is, in zijn ziel en lichaam.

34

Wat heeft dan zijne Godheid hiertoe gedaan?

Zijne Godheid heeft door hare kracht die aangenomene menschheid alzoo gesterkt, dat zij den last van den toorn Gods tegen de zonde heeft kunnen verdragen, en ons daarvan verlossen.

35

Is Christus in den dood gebleven?

Neen Hij; maar Hij is ten derden dage opgestaan van de dooden tot onze rechtvaardigmaking; Rom. IV: 25.

36

Waar is Christus nu naar zijne menschheid?

Hij is opgevaren ten hemel, en zit ter rechterhand Gods des Vaders, dat is, verheven in de hoogste heerlijkheid boven alle schepselen; Eph. I: 20, 21.

37

Waartoe is Hij daar zoo hoog verheven?

Inzonderheid opdat Hij van daar zijne gemeente zoude regeeren, en onze Voorbidder zijn bij den Vader.

38

Is Hij dan niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft? Matth. XXVIII: 20.

Naar zijne Godheid, majesteit, genade en Geest, wijkt Hij nimmermeer van ons; maar naar zijne menschheid blijft Hij in den hemel, totdat Hij eenmaal komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.

39

Wat gelooft gij van den Heiligen Geest?

Dat Hij te zamen met den Vader en den Zoon waarachtig, eeuwig God is; en dat Hij mij van den Vader door Christus gegeven zijnde, wederbaart, in alle waarheid leidt, mij troost en in eeuwigheid bij mij zal blijven.

40

Wat gelooft gij van de heilige, algemeene Kerk?

Dat de Zone Gods uit het gansche menschelijk geslacht de uitverkorenen ten eeuwigen leven, door zijn Geest en Woord, zich tot eene gemeente vergadert; waarvan ik geloof, dat ik een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven.

41

Waar vergadert Hij deze Kerk?

Waar men Gods Woord recht predikt, en de Heilige Sacramenten bedient naar de instelling van Christus.

42

Welke weldaden doet God aan deze gemeente?

Hij schenkt haar vergeving der zonden, wederopstanding des vleesches, en het eeuwige leven.

43

Wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft?

Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben.

44

Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?

Alleen door een waar geloof in Jezus Christus.

45

Hoe is het te verstaan, dat gij door het geloof gerechtvaardigd zijt?

Alzoo, dat alleen de volkomene genoegdoening en gerechtigheid van Christus door God mij wordt toegerekend, waardoor mij mijne zonden vergeven en ik een erfgenaam des eeuwigen levens word; en dat ik die niet anders dan door het geloof kan aannemen.

46

Waarom kunnen onze goede werken onze gerechtigheid voor God niet zijn, noch ook een stuk daarvan?

Daarom, dat ook onze beste werken in dit leven onvolkomen en met zonde bevlekt zijn.

47

Verdienen dan onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil beloonen?

Deze belooning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade.

48

Wie werkt dat geloof in u?

De Heilige Geest.

49

Door wat middel?

Door het gehoor van het gepredikte Woord; Rom. X: 14, 17.

50

Hoe versterkt Hij dat geloof?

Door datzelfde gepredikte Woord, en het gebruik der Heilige Sacramenten.

51

Wat zijn Sacramenten?

Heilige teekenen en zegelen, van God ingesteld, om ons daardoor te verzekeren, dat Hij ons vergeving der zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt, om het eenige slachtoffer van Christus aan het kruis volbracht.

52

Hoeveel Sacramenten heeft Christus in het nieuwe Testament ingesteld?

Twee: den Heiligen Doop en het Heilige Avondmaal.

53

Welk is het teeken in den Doop?

Het water, waarmede wij gedoopt worden in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.

54

Wat beteekent en verzegelt dat?

De afwassching der zonden door het bloed en den Geest van Jezus Christus.

55

Waar heeft ons Christus zulks toegezegd en beloofd?

In de inzetting des Doops, die aldus luidt: Gaat henen in de geheele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen; onderwijst alle de volkeren, hen doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.

56

Zal men ook de jonge kinderen doopen?

Ja; want zij zijn alzoowel als de volwassenen in het verbond Gods en in zijne gemeente begrepen.

57

Welk is het uiterlijk teeken in het Avondmaal?

Het gebroken brood, dat wij eten, en de vergoten wijn, dien wij drinken, tot gedachtenis van het lijden en sterven van Christus.

58

Wat beteekent en verzegelt dat?

Dat Christus onze ziele met zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed spijst en laaft ten eeuwigen leven.

59

Waar heeft ons Christus zulks toegezegd?

In de instelling des Heiligen Avondmaals, die door Paulus aldus wordt beschreven, 1 Cor. XI: Ik heb van den Heere ontvangen, hetgene ik u ook overgegeven heb, dat de Heere Jezus, in den nacht in welken Hij verraden werd, het brood nam; en als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet; dat is mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot mijne gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het nieuwe Testament in mijn bloed; doet dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis. Want zoo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt.

60

Wordt het brood veranderd in het lichaam van Christus, of de wijn in zijn bloed?

Neen; niet meer dan het water in den Doop wordt veranderd in het bloed van Christus.

61

Hoe moet gij uzelven beproeven, eer gij tot het Avondmaal des Heeren gaat?

Eerst moet ik onderzoeken, of ik mijzelven vanwege mijne zonden mishaag, en mij daarom voor God verootmoedig; ten tweede, of ik geloof en vertrouw, dat mij alle mijne zonden om Christus' wille vergeven zijn; ten derde, of ik ook een ernstig voornemen heb, om voortaan in alle goede werken te wandelen.

62

Zal men ook diegenen ten Avondmaal laten gaan, die ongoddelijke leer drijven, of een ergerlijk leven leiden?

Neen; opdat Gods verbond niet worde ontheiligd, en zijn toorn over de gansche gemeente niet aangestoken worde.

63

Hoe zal men dan met zoodanigen handelen?

Volgens de ordinantie, die ons Christus daarvan heeft gegeven, Matth. XVIII: 15, welke aldus luidt: Indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga henen en bestraf hem tusschen u en hem alleen; indien hij u hoort, zoo hebt gij uwen broeder gewonnen. Maar indien hij u niet hoort, zoo neem nog één of twee met u; opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta; en indien hij dezen geen gehoor geeft, zoo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zoo zij hij u als de heiden en de tollenaar.