Bronnen

Kort Begrip der christelijke religie

Kort Begrip · Deel 2 van 4

Deel 1

Van des menschen ellende

2

Waaruit kent gij uwe ellende?

Uit de wet Gods.

3

Wat heeft u God in zijne wet bevolen?

Dat heeft Hij ons schriftelijk in tien geboden begrepen, welke aldus luiden:

Ik ben de HEERE uw God, die u uit Egypteland, uit den diensthuize, uitgeleid heb.

Het eerste gebod.

Gij zult geene andere goden voor mijn aangezichte hebben.

Het tweede gebod.

Gij zult u geen gesneden beeld, noch eenige gelijkenisse maken, van hetgene dat boven in den hemel is, noch van hetgene dat onder op de aarde is, noch van hetgene dat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen noch hen dienen. Want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoeke aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben en mijne geboden onderhouden.

Het derde gebod.

Gij zult den name des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die zijnen name ijdellijk gebruikt.

Het vierde gebod.

Gedenk des Sabbathdags, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de Sabbath des HEEREN uws Gods. Dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uwe dochter, noch uw dienstknecht, noch uwe dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uwe poorten is. Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en alles wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage. Daarom zegende de HEERE den Sabbathdag, en heiligde denzelven.

Het vijfde gebod.

Eer uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft.

Het zesde gebod.

Gij zult niet doodslaan.

Het zevende gebod.

Gij zult niet echtbreken.

Het achtste gebod.

Gij zult niet stelen.

Het negende gebod.

Gij zult geene valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste.

Het tiende gebod.

Gij zult niet begeeren uws naasten huis; gij zult niet begeeren uws naasten vrouwe, noch zijnen dienstknecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijnen os, noch zijnen ezel, noch iets, dat uws naasten is.

4

Hoe worden deze tien geboden gedeeld?

In twee tafelen.

5

Welke is de hoofdsom van hetgene u God gebiedt in de vier geboden der eerste tafel?

Dat ik den Heere mijnen God zal liefhebben van ganscher harte, van ganscher ziele, van ganschen gemoede, en met alle krachten. Dit is het eerste en het groot gebod.

6

Welke is de hoofdsom van hetgene u God gebiedt in de zes geboden der tweede tafel?

Dat ik mijnen naaste zal liefhebben als mijzelven. Aan deze twee geboden hangt de gansche wet en de profeten.

7

Kunt gij dit alles volkomenlijk houden?

Neen ik; maar ik ben van nature geneigd, God en mijnen naaste te haten, en Gods geboden met gedachten, woorden, en werken te overtreden.

8

Heeft God u alzoo boos en verdorven van natuur geschapen?

Neen Hij; maar Hij heeft mij goed en naar zijn evenbeeld geschapen, in ware kennisse Gods, gerechtigheid en heiligheid.

9

Vanwaar komt dan die verdorvenheid, die in u is?

Uit den val en de ongehoorzaamheid van Adam en Eva in het Paradijs, waar onze natuur alzoo is verdorven, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden.

10

Wat is dat voor eene ongehoorzaamheid geweest?

Dat zij hebben gegeten van de vrucht des booms, welke God hun verboden had.

11

Gaat ons de ongehoorzaamheid van Adam aan?

Ja zij toch; want hij is ons aller vader, en wij hebben allen in hem gezondigd.

12

Zoo zijn wij dan onbekwaam tot eenig goed als uit onszelven, en geneigd tot alle kwaad?

Ja wij; tenzij dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden.

13

Wil God zulke ongehoorzaamheid en verdorvenheid ongestraft laten?

Neen Hij; maar naar zijn rechtvaardig oordeel wil Hij die tijdelijk en eeuwiglijk straffen, gelijk geschreven staat: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgene geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.