Bronnen

Dordtse Leerregels

Leerregels · Hoofdstuk 3 van 5

Derde en vierde hoofdstuk

Van des menschen verdorvenheid en bekeering tot God, en de manier van deze

1.

De mensch is van den beginne naar het beeld Gods geschapen, versierd in zijn verstand met ware en zalige kennis van zijnen Schepper en van andere geestelijke dingen; in zijnen wil en zijn hart met gerechtigheid; in alle zijne genegenheden met zuiverheid; en is overzulks geheel heilig geweest. Maar door het ingeven des duivels en zijnen vrijen wil van God afwijkende, heeft hij zichzelven van deze uitnemende gaven beroofd, en heeft daarentegen in de plaats van die over zich gehaald blindheid, schrikkelijke duisternis, ijdelheid en verkeerdheid des oordeels in zijn verstand; boosheid, wederspannigheid en hardigheid in zijnen wil en zijn hart; mitsgaders ook onzuiverheid in alle zijne genegenheden.

2.

Zoodanig als nu de mensch geweest is na den val, zoodanige kinderen heeft hij ook voortgebracht, namelijk hij, verdorven zijnde, verdorvene; alzoo dat de verdorvenheid, naar Gods rechtvaardig oordeel, van Adam op alle zijne nakomelingen (uitgenomen alleen Christus) gekomen is, niet door navolging, gelijk eertijds de Pelagianen gedreven hebben, maar door voortplanting der verdorvene natuur.

3.

Overzulks zoo worden alle menschen in zonden ontvangen, en als kinderen des toorns geboren, onbekwaam tot eenig zaligmakend goed, geneigd tot kwaad, dood in zonden en slaven der zonde. En willen noch kunnen tot God niet wederkeeren, noch hunne verdorvene natuur verbeteren, noch zichzelven tot de verbetering daarvan schikken, zonder de genade des wederbarenden H. Geestes.

4.

Wel is waar, dat na den val in den mensch eenig licht der natuur nog overgebleven is, waardoor hij behoudt eenige kennis van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tusschen hetgeen betamelijk en onbetamelijk is, en ook betoont eenige betrachting tot de deugd en tot uiterlijke tucht. Maar zóó ver is het van daar, dat de mensch door dit licht der natuur zoude kunnen komen tot de zaligmakende kennisse Gods, en zich tot Hem bekeeren, dat hij ook in natuurlijke en burgerlijke zaken dit licht niet recht gebruikt; ja veel meer ditzelve, hoedanig het ook zij, op onderscheidene wijze geheel bezoedelt en in ongerechtigheid ten onder houdt; en dewijl hij dit doet, zoo wordt hem alle verontschuldiging voor God benomen.

5.

Gelijk het met het licht der natuur toegaat, zoo gaat het ook in dezen toe met de wet der Tien geboden, van God door Mozes den Joden in het bijzonder gegeven. Want nademaal deze de grootheid der zonde wel ontdekt en den mensch meer en meer van zijne schuld overtuigt, doch het herstellingsmiddel daartegen niet aanwijst, noch eenige krachten toebrengt om uit deze ellendigheid te kunnen geraken, en omdat zij alzoo, door het vleesch krachteloos geworden zijnde, den overtreder onder den vloek blijven laat, zoo kan de mensch daardoor de zaligmakende genade niet verkrijgen.

6.

Hetgene dan noch het licht der natuur, noch de Wet doen kan,, dat doet God door de kracht des H. Geestes, en door het woord of de bediening der verzoening, welke is het Evangelie van den Messias, waardoor het God behaagd heeft de geloovige menschen, zoowel in het oude als in het nieuwe Testament, zalig te maken.

7.

Deze verborgenheid van zijnen wil heeft God in het oude Testament aan weinigen ontdekt, doch in het nieuwe Testament (het onderscheid der volkeren nu weggenomen zijnde) heeft Hij haar aan meer menschen geopenbaard. Van welke onderscheidene toebedeeling de oorzaak niet moet gesteld worden in de waardigheid van het ééne volk boven het andere, of in het beter gebruik van het licht der natuur, maar in het gansch vrije welbehagen en de onverdiende liefde Gods; waarom ook diegenen, wien buiten, ja tegen alle verdiensten zoo groot eene genade geschiedt, haar met een nederig en dankbaar hart moeten erkennen, maar in de anderen, wien deze genade niet geschiedt, moeten zij, met den Apostel, de gestrengigheid en rechtvaardigheid van Gods oordeelen aanbidden, en die geenszins curieuselijk onderzoeken.

8.

Doch zoo velen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstiglijk geroepen. Want God betoont ernstiglijk en waarachtiglijk in zijn Woord, wat Hem aangenaam is; namelijk, dat de geroepenen tot Hem komen. Hij belooft ook met ernst allen, die tot Hem komen, en gelooven, de rust der zielen en het eeuwige leven.

9.

Dat er velen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, niet komen en niet bekeerd worden, daarvan is de schuld niet in het Evangelie, noch in Christus, door het Evangelie aangeboden zijnde, noch in God, die door het Evangelie roept, en zelfs ook dien Hij roept onderscheidene gaven mededeelt; maar in degenen, die geroepen worden; van dewelken sommigen, zorgeloos zijnde, het woord des levens niet aannemen; anderen nemen het wel aan, maar niet in het binnenste huns harten, en daarom is het, dat zij, na eene kortstondige blijdschap van het tijdelijk geloof, wederom terugwijken; anderen verstikken het zaad des woords door de doornen der zorgvuldigheden en wellusten der wereld, en brengen geene vruchten voort; hetwelk onze Zaligmaker leert in de gelijkenis van het zaad (Matth. XIII).

10.

Maar dat anderen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, komen, en bekeerd worden, dat moet men den mensch niet toeschrijven, alsof hij zichzelven door zijnen vrijen wil zoude onderscheiden van anderen, die met even groote of genoegzame genade tot het geloof en de bekeering voorzien zijn (hetwelk de hoovaardige ketterij van Pelagius stelt); maar men moet het Gode toeschrijven, die, gelijk Hij de zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus, alzoo ook diezelfden in den tijd krachtiglijk roept, met het geloof en de bekeering begiftigt, en uit de macht der duisternis verlost zijnde tot het rijk zijns Zoons overbrengt, opdat zij zouden verkondigen de deugden Desgenen, die hen uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht, en opdat zij niet in zichzelven, maar in den Heere zouden roemen, gelijk de Apostolische schriften telkens getuigen.

11.

Voorts wanneer God dit zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert, en de ware bekeering in hen werkt, zoo is het dat Hij niet alleen het Evangelie hun uiterlijk doet prediken, en hun verstand krachtiglijk door den Heiligen Geest verlicht, opdat zij recht zouden verstaan en onderscheiden die dingen, die des Geestes Gods zijn; maar Hij dringt ook in tot de binnenste deelen des menschen met de krachtige werking deszelfden wederbarenden Geestes; Hij opent het hart, dat gesloten is: Hij vermurwt dat hard is; Hij besnijdt dat onbesneden is. In den wil stort Hij nieuwe hoedanigheden, en maakt dat die wil, die dood was, levend wordt; die boos was, goed wordt; die niet wilde, nu metterdaad wil; die wederspannig was, gehoorzaam wordt; Hij beweegt en sterkt dien wil alzoo, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen.

12.

En dit is die wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de dooden, en levendmaking, waarvan zoo heerlijk in de Schrift gesproken wordt, dewelke God zonder ons in ons werkt. En deze wordt in ons niet teweeggebracht door middel van de uiterlijke prediking alleen, noch door aanrading, of zulke manier van werking, dat, wanneer nu God zijn werk volbracht heeft, het alsdan nog in de macht des menschen zoude staan wedergeboren te worden, of niet wedergeboren te worden, bekeerd te worden, of niet bekeerd te worden. Maar het is eene gansch bovennatuurlijke, eene zeer krachtige, en tegelijk zeer zoete, wonderbare, verborgene, en onuitsprekelijke werking, dewelke, naar het getuigenis der Schrift (die van den auteur van deze werking is ingegeven), in hare kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of de opwekking der dooden; alzoo dat alle diegenen, in wier harten God op deze wonderbaarlijke wijze werkt, zekerlijk, onfeilbaar en krachtiglijk wedergeboren worden en daadwerkelijk gelooven. En alsdan wordt de wil, zijnde nu vernieuwd, niet alleen van God gedreven en bewogen, maar, van God bewogen zijnde, werkt hij ook zelf. Waarom ook terecht gezegd wordt, dat de mensch, door de genade die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert.

13.

De wijze van deze werking kunnen de geloovigen in dit leven niet volkomenlijk begrijpen; ondertusschen stellen zij zich daarin gerust, dat zij weten en gevoelen, dat zij door deze genade Gods met het hart gelooven, en hunnen Zaligmaker liefhebben.

14.

Zoo is dan het geloof eene gave Gods; niet omdat het aan den vrijen wil des menschen van God wordt aangeboden, maar omdat het den mensch metterdaad wordt medegedeeld, ingegeven, en ingestort; ook niet daarom, dat God alleenlijk de macht om te gelooven zoude geven, en daarna de toestemming of het daadwerkelijk gelooven van den vrijen wil des menschen verwachten; maar omdat Hij, die daar werkt het willen en het werken, ja alles werkt in allen, in den mensch teweegbrengt beide, den wil om te gelooven, en het geloof zelf.

15.

Deze genade is God aan niemand schuldig; want wat zoude Hij schuldig zijn dengenen, die Hem niets eerst geven kan, opdat het hem vergolden worde? Ja, wat zoude God dien schuldig zijn, die van zichzelven niet anders heeft dan zonde en leugen? Diegene dan, die deze genade ontvangt, die is Gode alleen daarvoor eeuwige dankbaarheid schuldig, en dankt Hem ook daarvoor; diegene, die deze genade niet ontvangt, die acht ook deze geestelijke dingen gansch niet, en behaagt zichzelven in het zijne; of, zorgeloos zijnde, roemt hij ijdellijk dat hij heeft hetgene hij niet heeft. Voorts, van diegenen, die hun geloof uiterlijk belijden en hun leven beteren, moet men naar het voorbeeld der Apostelen het beste oordeelen en spreken; want het binnenste des harten is ons onbekend. En wat aangaat anderen, die nog niet geroepen zijn, voor dezulken moet men God bidden, die de dingen die niet zijn roept alsof zij waren; en wij moeten ons geenszins tegenover deze verhoovaardigen, alsof wij onszelven uitgezonderd hadden.

16.

Doch gelijk de mensch door den val niet heeft opgehouden een mensch te zijn, begaafd met verstand en wil, en gelijk de zonde, die het gansche menschelijk geslacht heeft doordrongen, de natuur des menschen niet heeft weggenomen, maar verdorven en geestelijker wijze gedood; alzoo werkt ook deze Goddelijke genade der wedergeboorte in de menschen niet als in stokken en blokken, en vernietigt den wil en zijne eigenschappen niet, en dwingt dien niet met geweld zijns ondanks, maar maakt hem geestelijk levend, heelt hem, verbetert hem, en buigt hem tegelijk liefelijk en krachtiglijk; alzoo dat, waar de wederspannigheid en tegenstand des vleesches tevoren ten eenemale de overhand had, daar nu eene gewillige en oprechte gehoorzaamheid des Geestes de overhand begint te krijgen; waarin de waarachtige en geestelijke wederoprichting en vrijheid van onzen wil gelegen is. En ten ware dat die wonderbaarlijke Werkmeester alles goeds in dezer voege met ons handelde, de mensch zoude ganschelijk geene hope hebben van uit den val te kunnen opstaan door zijnen vrijen wil, waardoor hij zichzelven, toen hij nog stond, in het verderf heeft gestort.

17.

Gelijk ook die almachtige werking Gods, waardoor Hij dit ons natuurlijk leven voortbrengt en onderhoudt, niet uitsluit, maar vereischt, het gebruik der middelen, door welke God naar zijne oneindige wijsheid en goedheid deze zijne kracht heeft willen uitoefenen; alzoo is het ook, dat de voormelde bovennatuurlijke werking Gods, waardoor Hij ons wederbaart, geenszins uitsluit noch omstoot het gebruik des Evangelies, hetwelk de wijze God tot een zaad der wedergeboorte en spijze der ziele verordineerd heeft. Daarom dan, gelijk de Apostelen en de Leeraars, die hen zijn gevolgd, van deze genade Gods het volk Godzaliglijk hebben onderricht, Hem ter eere, en tot nederdrukking van allen hoogmoed des menschen, en ondertusschen nochtans niet hebben nagelaten, hen door heilige vermaningen des Evangelies te houden onder de oefening des Woords, der Sacramenten en kerkelijke tucht; alzoo moet het ook nu verre van daar zijn, dat diegenen, die anderen in de gemeente leeren, of die geleerd worden, zich zouden vermeten God te verzoeken door het scheiden dier dingen, die God naar zijn welbehagen heeft gewild dat te zamen gevoegd zouden blijven. Want door de vermaningen wordt de genade medegedeeld; en hoe vaardiger wij ons ambt doen, des te heerlijker vertoont zich ook de weldaad Gods, die in ons werkt, en zijn werk gaat dan allerbest voort. Welken God alleen toekomt, zoo vanwege de middelen, als vanwege de zaligmakende vrucht en kracht daarvan, alle heerlijkheid in der eeuwigheid, Amen.

Verwerping der dwalingen

De rechtzinnige leer verklaard zijnde, verwerpt de Synode de dwalingen dergenen,

1.

Die leeren: Dat men eigenlijk niet zeggen kan, dat de erfzonde in zichzelve genoegzaam is om het gansche menschelyk geslacht te verdoemen, of om tijdelijke en eeuwige straffen te verdienen. Want deze wederspreken den Apostel, die daar zegt: Door éénen mensch is de zonde in de wereld ingekomen, en door de zonde de dood; en alzoo is de dood tot alle menschen doorgegaan, in welken allen gezondigd hebben (Rom. V: 12). En: De schuld is uit ééne misdaad tot verdoemenis (Hoofdst. V: 16). En: De bezoldiging der zonde is de dood (Rom. VI: 23).

2.

Die leeren: Dat de geestelijke gaven, of de goede hoedanigheden en deugden, als daar zijn: goedheid, heiligheid, rechtvaardigheid, in den wil des menschen, toen hij eerst geschapen werd, niet konden zijn, en dat zij dienvolgens in den val daarvan niet hebben kunnen gescheiden worden. Want zulks strijdt tegen de beschrijving van het evenbeeld Gods, welke de Apostel stelt Eph. IV: 24; alwaar hij getuigt, dat het bestaat in rechtvaardigheid en heiligheid, welke beide ongetwijfeld in den wil hare plaats hebben.

3.

Die leeren: Dat in den geestelijken dood de geestelijke gaven niet van des menschen wil zijn gescheiden, nademaal de wil in zichzelven nooit is verdorven geweest, maar alleenlijk door de duisternis des verstands en de ongeregeldheid der geneigdheden verhinderd; en dat, deze verhinderingen weggenomen zijnde, alsdan de wil zijne vrije aangeborene kracht zoude in het werk kunnen stellen, dat is, allerlei goed, hetwelk hem voorkomt, uit zichzelven zoude kunnen willen en verkiezen, of niet willen en niet verkiezen. Dit is eene nieuwigheid en dwaling, en strekt daartoe, dat zij de krachten van den vrijen wil verheft; tegen de uitspraak des Profeten: Arglistig is het hart, meer dan eenig ding, ja doodelijk is het (Jer. XVII: 9); en des Apostels: Onder dewelke (kinderen der ongehoorzaamheid) ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleesches, doende den wil des vleesches en der gedachten (Eph. II: 3).

4.

Die leeren: Dat de onwedergeboren mensch niet eigenlijk noch geheellijk dood is in de zonde, of ontbloot van alle krachten tot het geestelijk goed; maar dat hij nog kan hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en het leven, en offeren eene offerande eens verslagenen en gebrokenen geestes, die Gode aangenaam is. Want deze dingen strijden tegen de klare getuigenissen der Schrift: Gij waart dood door de misdaden en de zonden (Eph. II: 1, 5); en: Al het gedichtsel der gedachten des harten is ten allen dage alleenlijk boos (Gen. VI: 5, en VIII: 21). Daarenboven, hongeren en dorsten naar de verlossing uit de ellende, en naar het leven, en Gode eene offerande eens gebrokenen geestes opofferen, geldt eigenlijk van de wedergeborenen, en van degenen die zalig genoemd worden (Ps. LI: 10, en Matth V: 6).

5.

Die leeren: Dat de verdorvene en natuurlijke mensch de gemeene genade (waardoor zij verstaan het licht der natuur), of de gaven, hem na den val nog overgelaten, zoo wel gebruiken kan, dat hij door dat goed gebruik eene meerdere, namelijk, de Evangelische of zaligmakende genade en de zaligheid zelve allengskens en bij trappen zoude kunnen bekomen. En dat in dezer voege God zich van zijne zijde betoont gereed te zijn, om Christus aan alle menschen te openbaren, naardien Hij de middelen, die tot de bekeering noodig zijn, genoegzaam en krachtiglijk aan allen toedient. Want benevens de ervaring van alle tijden betuigt ook de Schrift, dat zulks onwaarachtig is: Hij maakt Jakob zijne woorden bekend, Israël zijne inzettingen en zijne rechten. Alzoo heeft Hij geenen volke gedaan; en zijne rechten, die kennen zij niet (Ps. CXLVII: 19, 20). God heeft in de verledene tijden alle de heidenen laten wandelen in hunne wegen (Hand. XIV: 16). En: Zij (te weten Paulus met de zijnen) werden van den Heiligen Geest verhinderd het woord in Azië te spreken; en aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar Bithynië te reizen; en de Geest liet het hun niet toe (Hand. XVI: 6, 7).

6.

Die leeren: Dat in de ware bekeering des menschen geene nieuwe hoedanigheden, krachten of gaven in den wil door God kunnen ingestort worden, en dat overzulks het geloof, waardoor wij eerst bekeerd worden, en waarvan wij geloovigen genoemd worden, niet is eene hoedanigheid of gave, van God ingestort, maar alleen eene daad des menschen, en dat het niet anders kan gezegd worden eene gave te zijn, dan ten aanzien van de macht om daartoe te komen. Want daarmede wederspreken zij de H. Schrift, die getuigt, dat God nieuwe hoedanigheden des geloofs, der gehoorzaamheid, en van het gevoel zijner liefde in onze harten uitstort: Ik zal mijne wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven (Jer. XXXI: 33). En: Ik zal water gieten op den dorstige, en stroomen op het droge; Ik zal mijnen Geest op uw zaad gieten (Jes. XLIV: 3). En: De liefde Gods is in onze harten uitgestort door den Heiligen Geest, die ons is gegeven (Rom. V: 5). Zulks strijdt ook tegen het standvastig gebruik der Kerke Gods, dewelke bij den Profeet aldus bidt: Bekeer mij, zoo zal ik bekeerd zijn (Jer. XXXI: 18).

7.

Die leeren: Dat de genade, waardoor wij tot God bekeerd worden, niet anders is dan eene zachte aanrading; of (gelijk anderen dit verklaren), dat dit de alleredelste manier van werking is in de bekeering des menschen, en die het best overeenkomt met de natuur des menschen, welke door aanrading geschiedt; en dat er niets is, waarom deze aanradende genade alleen niet zoude genoegzaam zijn om den natuurlijken mensch geestelijk te maken; ja dat God niet anders de toestemming van den wil voortbrengt, dan door deze wijze van aanrading; en dat de kracht der Goddelijke werking, waardoor zij de werking des satans te boven gaat, hierin bestaat, dat God eeuwige, maar de satan tijdelijke goederen belooft. Want dit is gansch Pelagiaansch en in strijd met de geheele H. Schrift; dewelke, behalve deze, nog eene andere en veel krachtiger en Goddelijker manier van werking des H. Geestes in de bekeering des menschen erkent; gelijk bij Ezechiël: Ik zal u een nieuw hart geven, en zal eenen nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het steenen hart uit uw vleesch wegnemen, en zal u een vleeschen hart geven (Ezech. XXXVI: 26).

8.

Die leeren: Dat God zulke krachten zijner almogendheid in de wedergeboorte des menschen niet gebruikt, waardoor Hij diens wil krachtiglijk en onfeilbaar zoude buigen tot geloof en bekeering; maar dat, alle de werkingen der genade volbracht zijnde, dewelke God gebruikt om den mensch te bekeeren, de mensch nochtans Gode en den H. Geest, wanneer Hij zijne wedergeboorte voorheeft en hem wederbaren wil, alzoo kan wederstaan, en metterdaad ook dikwijls weder staat, dat hij zijns zelfs wedergeboorte ganschelijk belet; en dat het over overzulks in zijne eigene macht blijft, wedergeboren te worden of niet. Want dit is anders niet dan al de kracht van de genade Gods in onze bekeering wegnemen, en de werking des almachtigen Gods aan den wil des menschen onderwerpen; en dat tegen de Apostelen, die leeren: Dat wij gelooven naar de werking der sterkte zijner macht (Eph. I: 19). En: Dat God het welbehagen zijner goedigheid, en het werk des geloofs, in ons vervult met kracht (2 Thess. I: 11). En: Dat zijne Goddelijke kracht ons alles wat tot het leven en de Godzaligheid behoort geschonken heeft (2 Petr. I: 3).

9.

Die leeren: Dat de genade en de vrije wil gedeeltelijke oorzaken zijn, die beide te zamen het begin van de bekeering werken, en dat de genade in orde van werking niet gaat vóór de werking van den wil; dat is, dat God niet eer den wil des menschen krachtiglijk helpt tot de bekeering, dan wanneer de wil des menschen zichzelven beweegt en daartoe bepaalt. Want de Oude Kerk heeft deze leer al overlang in de Pelagianen veroordeeld, uit de woorden des Apostels: Zoo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods (Rom. IX: 16). Insgelijks: Wie onderscheidt u? En, wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? (1 Cor. IV: 7). En: Het is God, die in u werkt beide het willen en het werken, naar zijn welbehagen (Philipp. II: 13).