Leerregels · Hoofdstuk 1 van 5
Eerste hoofdstuk
Van de Goddelijke Verkiezing en Verwerping
Aangezien alle menschen in Adam gezondigd hebben, en des vloeks en eeuwigen doods zijn schuldig geworden, zoo zoude God niemand ongelijk hebben gedaan, indien Hij het gansche menschelijk geslacht in de zonde en vervloeking had willen laten en om de zonde verdoemen, volgens deze uitspraken des Apostels: De geheele wereld is voor God verdoemelijk. Zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods (Rom. III: 19, 23). En: De bezoldiging der zonde is de dood (Rom. VI: 23).
Maar hierin is de liefde Gods geopenbaard, dat Hij zijnen eeniggeborenen Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat een iegelijk, die in hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (1 Joh. IV: 9; Joh. III: 16).
En opdat de menschen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wie Hij wil, en wanneer Hij wil; door wier dienst de menschen geroepen worden tot bekeering en het geloof in Christus den gekruisigde. Want hoe zullen zij in hem gelooven, van welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij hooren, zonder die hun predikt? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? (Rom. X: 14, 15.)
Die dit Evangelie niet gelooven, op die blijft de toorn Gods. Maar die het aannemen, en den Zaligmaker Jezus met een waarachtig en levend geloof omhelzen, die worden door hem van den toorn Gods en van het verderf verlost, en met het eeuwige leven begiftigd (Joh. III: 36; Marc. XVI: 16).
De oorzaak of schuld van dat ongeloof, gelijk ook van alle andere zonden, is geenszins in God, maar in den mensch. Maar het geloof in Jezus Christus, en de zaligheid door hem, is eene genadige Gods; gelijk geschreven is: Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave (Eph. II; 8). Insgelijks: Het is u gegeven, in Christus te gelooven (Phil. I: 29).
Dat God sommigen in den tijd met het geloof begiftigt, sommigen niet begiftigt, komt voort van zijn eeuwig besluit. Want alle zijne werken zijn Hem van eeuwigheid bekend (Hand. XV: 18), en Hij werkt alle dingen naar den raad zijns willens (Eph. I: 11). Naar welk besluit Hij de harten der uitverkorenen, hoewel zij hard zijn, genadiglijk vermurwt en buigt om te gelooven; maar degenen, die niet zijn verkoren, naar zijn rechtvaardig oordeel, in hunne boosheid en hardigheid laat. En hier is het, dat zich voornamelijk voor ons ontsluit die diepe, barmhartige en evenzeer rechtvaardige onderscheiding der menschen, zijnde in evengelijken staat des verderfs, of het besluit van Verkiezing en Verwerping, in het Woord Gods geopenbaard. Hetwelk, even als het de verkeerde, onreine en onvaste menschen verdraaien tot hun verderf, alzoo den heiligen en Godvreezenden zielen eenen onuitsprekelijken troost geeft.
Deze Verkiezing is een onveranderlijk voornemen Gods, door hetwelk Hij vóór de grondlegging der wereld eene zekere menigte van menschen, niet beter of waardiger zijnde dan anderen, maar in de gemeene ellende met anderen liggende, uit het geheele menschelijk geslacht, van de eerste rechtheid door hunne eigene schuld vervallen in de zonde en het verderf, naar het vrije welbehagen zijns wils, tot de zaligheid, louter uit genade, uitverkoren heeft in Christus, denwelken hij ook van eeuwigheid tot een Middelaar en Hoofd van alle uitverkorenen, en tot een fundament der zaligheid gesteld heeft. En opdat zij door hem zouden zalig gemaakt worden, heeft Hij ook besloten, hen aan hem te geven, en krachtiglijk tot zijne gemeenschap door zijn Woord en Geest te roepen en te trekken, of, met het ware geloof in hem te begiftigen, te rechtvaardigen, te heiligen, en, in de gemeenschap zijns Zoons krachtiglijk bewaard zijnde, ten laatste te verheerlijken, tot bewijzing van zijne barmhartigheid, en tot prijs van de rijkdommen zijner heerlijke genade. Gelijk geschreven is: God heeft ons uitverkoren in Christus, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde. Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in zichzelven, naar het welbehagen zijns willens; tot prijs der heerlijkheid zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde (Eph. I: 4, 5, 6). En elders: Die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt (Rom. VIII: 30).
De voormelde Verkiezing is niet menigerlei, maar ééne en dezelfde, van alle degenen die zalig worden, beide in het oude en nieuwe Testament. Aangezien de Schrift ons een éénig welbehagen, voornemen en raad van den wille Gods voorstelt, waardoor Hij ons van eeuwigheid heeft verkoren, beide tot de genade en tot de heerlijkheid, tot de zaligheid en tot den weg der zaligheid, denwelken Hij bereid heeft, opdat wij daarin wandelen zouden (Eph. I: 4, 5, en II: 10).
Deze zelfde Verkiezing is geschied, niet uit het voorgezien geloof en gehoorzaamheid des geloofs, heiligheid, of eenige andere goede hoedanigheid of geschiktheid, als eene oorzaak of voorwaarde, tevoren vereischt in den mensch, die verkoren zoude worden; maar tot het geloof en gehoorzaamheid des geloofs, tot heiligheid, enz.; en dienvolgens is de Verkiezing de fontein van alle zaligmakend goed, waaruit het geloof, de heiligheid, en andere zaligmakende gaven, en eindelijk het eeuwige leven zelf, als vruchten vloeien; naar het getuigenis des Apostels: Hij heeft ons uitverkoren (niet, omdat wij waren, maar) opdat wij zouden zijn heilig en onberispelijk voor Hem in de liefde (Eph. I: 4).
De oorzaak van deze genadige Verkiezing is eeniglijk het welbehagen Gods, niet daarin bestaande, dat Hij eenige hoedanigheden of werken der menschen, uit alle mogelijke voorwaarden, tot eene voorwaarde der zaligheid heeft uitgekozen; maar hierin, dat Hij eenige bepaalde personen, uit de gemeene menigte der zondaren, zich tot een eigendom heeft aangenomen. Gelijk geschreven is: Als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, enz., werd tot haar (namelijk Rebekka) gezegd: De meerdere zal den mindere dienen; gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat (Rom. IX: 11, 12, 13). En: Er geloofden zoovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven (Hand. XIII: 48).
En gelijk God zelf op het hoogste wijs, onveranderlijk, alwetend en almachtig is, alzoo kan de Verkiezing, door Hem gedaan, niet ontdaan en wedergedaan, noch veranderd, noch herroepen, noch afgebroken worden, noch de uitverkorenen verworpen, noch hun getal verminderd worden.
Van deze hunne eeuwige en onveranderlijke Verkiezing ter zaligheid worden de uitverkorenen te zijner tijd, hoewel bij onderscheidene trappen en met ongelijke mate, verzekerd; niet, als zij de verborgenheden en diepten Gods curieuselijk doorzoeken, maar als zij de onfeilbare vruchten der Verkiezing, in het Woord Gods aangewezen (als daar zijn: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreeze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid, enz.), in zichzelven met eene geestelijke blijdschap en heilige vermaking waarnemen (2 Cor. XIII: 5).
Uit het gevoel en de verzekerdheid van deze Verkiezing, nemen de kinderen Gods dagelijks meerder oorzaak om zichzelven voor God te verootmoedigen, de diepte van zijne barmhartigheden te aanbidden, zichzelven te reinigen, en Hem, die hen eerst zoo uitnemend heeft liefgehad, wederom vuriglijk te beminnen. Zóó verre is het van daar, dat zij door deze leer van de Verkiezing, en door de overdenking daarvan, in het onderhouden van Gods geboden vertragen, of vleeschelijk zorgeloos zouden worden. Hetwelk door Gods rechtvaardig oordeel dengenen pleegt te gebeuren, die, óf zichzelven van de genade der Verkiezing lichtvaardiglijk vermetende, óf ijdellijk en dartellijk daarvan klappende, in de wegen der uitverkorenen niet begeeren te wandelen.
Voorts, gelijk deze leer van de Goddelijke Verkiezing, naar Gods wijzen raad, door de Profeten, Christus zelven en de Apostelen, zoowel in het oude als in het nieuwe Testament gepredikt is, en daarna in de H. Schriften voorgesteld en nagelaten, alzoo moet zij ook ten huidigen dage, te zijner tijd en plaats, in de Kerke Gods (dewelke zij bijzonderlijk is toegeëigend) voorgesteld worden, met den geest des onderscheids en met Godvruchtige eerbiedigheid, heiliglijk, zonder nieuwsgierige onderzoeking van de wegen des Allerhoogsten, ter eere van Gods H. naam en tot eenen levendigen troost van zijn volk (Hand. XX: 27; Rom. XII: 3 en Hoofdst. XI: 33, 34; Hebr. VI: 17, 18).
Deze eeuwige en onverdiende genade van onze Verkiezing wijst en prijst ons de H. Schrift allermeest daarmede aan, dat zij wijders getuigt, dat niet alle menschen zijn verkoren, maar sommigen niet verkoren, of in Gods eeuwige Verkiezing voorbijgegaan, namelijk die, welke God naar zijn gansch vrij, rechtvaardig, onberispelijk en onveranderlijk welbehagen besloten heeft in de gemeene ellende te laten, in dewelke zij zichzelven door hunne eigene schuld hebben gestort, en met het zaligmakend geloof en de genade der bekeering niet te begiftigen, maar hen, in hunne eigene wegen en onder zijn rechtvaardig oordeel gelaten zijnde, eindelijk niet alleen om het ongeloof, maar ook om alle andere zonden, tot verklaring van zijne gerechtigheid, te verdoemen en eeuwiglijk te straffen. En dit is het besluit der Verwerping, hetwelk God geenszins maakt tot eenen auteur van de zonde (hetwelk godslasterlijk is te denken), maar Hem stelt tot haren verschrikkelijken, onberispelijken en rechtvaardigen Rechter en Wreker.
Die het levend geloof in Christus, of het zeker vertrouwen des harten, den vrede der consciëntie, de betrachting van de kinderlijke gehoorzaamheid, den roem in God door Christus, in zich nog niet krachtiglijk gevoelen, en nochtans de middelen gebruiken, door welke God beloofd heeft deze dingen in ons te werken, die moeten niet mismoedig worden, wanneer zij van de Verwerping hooren gewagen, noch zichzelven onder de verworpenen rekenen, maar in het waarnemen der middelen vlijtig voortgaan, naar den tijd van overvloediger genade vuriglijk verlangen, en dien met eerbiedigheid en ootmoedigheid verwachten. Veel minder behooren voor deze leer van de Verwerping verschrikt te worden degenen, die ernstiglijk begeeren zich tot God te bekeeren, Hem alleen te behagen, en van het lichaam des doods verlost te worden, en nochtans in den weg der Godzaligheid en des geloofs zoo ver nog niet kunnen komen, als zij wel wilden; aangezien de barmhartige God beloofd heeft, dat Hij de rookende vlaswiek niet zal uitblusschen, en het gekrookte riet niet zal verbreken. Maar deze leer is met recht schrikkelijk voor degenen, die, God en Christus den Zaligmaker niet achtende, zichzelven aan de zorgvuldigheden der wereld en aan de wellusten des vleesches geheel hebben overgegeven, zoo lang zij zich niet met ernst tot God bekeeren.
Nademaal wij van den wille Gods uit zijn Woord moeten oordeelen, hetwelk getuigt dat de kinderen der geloovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met hunne ouderen begrepen zijn, zoo moeten de Godzalige ouders niet twijfelen aan de Verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hunne kindsheid uit dit leven wegneemt (Gen. XVII: 7; Hand. II: 39; 1 Cor. VII: 14).
Tegen degenen, die over deze genade der onverdiende Verkiezing en gestrengigheid der rechtvaardige Verwerping murmureeren, stellen wij deze uitspraak des Apostels: O mensch, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? (Rom. IX: 20); en deze van onzen Zaligmaker: Is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil? (Matth. XX: 15). Wij daarentegen, deze verborgenheden met eene Godvruchtige eerbiedigheid aanbiddende, roepen uit met den Apostel: O diepte des rijkdoms beide der wijsheid en der kennisse Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn zijne oordeelen, en onnaspeurlijk zijne wegen! Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem weder vergolden worden? Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid Amen (Rom. XI: 33 — 36).
Verwerping der dwalingen, door welke de Nederlandsche Kerken eenen tijd lang zijn beroerd geworden
De rechtzinnige leer van de Verkiezing en Verwerping verklaard zijnde, verwerpt de Synode de dwalingen dergenen,
Die leeren: Dat de wille Gods van zalig te maken degenen, die zouden gelooven en in het geloof en de gehoorzaamheid des geloofs zouden volharden, het gansche en geheele besluit van de Verkiezing ter zaligheid is, en dat er niets anders van dit besluit in het Woord Gods is geopenbaard. Want deze bedriegen de eenvoudigen, en wederspreken klaarlijk de H. Schrift, die getuigt, dat God niet alleen degenen, die gelooven zullen, wil zalig maken, maar dat Hij ook eenige bepaalde menschen van eeuwigheid heeft uitverkoren, welke Hij in den tijd, boven anderen, met het geloof in Christus en met volstandigheid zoude begiftigen; gelijk geschreven is: Ik heb uwen naam geopenbaard den menschen, die Gij mij uit de wereld gegeven hebt (Joh. XVII: 6). En: Er geloofden zoovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven (Hand. XIII: 48). En: Hij heeft ons uitverkoren in hem, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig zijn, enz. (Eph. I: 4).
Die leeren: Dat de Verkiezing Gods ten eeuwigen leven velerlei is: de eene algemeen en onbepaald, de andere bijzonder en bepaald; en dat deze wederom óf onvolkomen, herroepelijk, niet-beslissend en voorwaardelijk is, óf volkomen, onherroepelijk, beslissend en volstrekt. Insgelijks: Dat er eene andere Verkiezing is tot het geloof, eene andere tot de zaligheid, alzoo, dat de Verkiezing tot het rechtvaardigmakend geloof kan zijn zonder de beslissende Verkiezing ter zaligheid. Want dit is een gedichtsel van 's menschen hersenen, buiten de Schrift uitgedacht, waardoor de leer van de Verkiezing verdorven, en deze gulden keten van onze zaligheid verbroken wordt: Die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt (Rom. VIII: 30).
Die leeren: Dat het welbehagen en voornemen Gods, van hetwelk de Schrift in de leer van de Verkiezing gewag maakt, niet daarin bestaat, dat God eenige bijzondere menschen boven anderen heeft uitverkoren; maar daarin, dat God uit alle mogelijke voorwaarden (onder welke ook zijn de werken der Wet), of uit de geheele orde van alle dingen, de uit haren aard onverdienstelijke daad des geloofs en zijne onvolmaakte gehoorzaamheid tot eene voorwaarde der zaligheid heeft uitgekozen, welke Hij voor eene volkomene gehoorzaamheid genadiglijk zoude hebben willen houden, en der belooning des eeuwigen levens waardig achten. Want met deze schadelijke dwaling wordt het welbehagen Gods en de verdienste van Christus krachteloos gemaakt, en de menschen door onnutte vragen van de waarheid der genadige rechtvaardigmaking en van de eenvoudigheid der Schrift afgetrokken, en deze uitspraak des Apostels van onwaarheid beschuldigd: God heeft ons geroepen met eene heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden der eeuwen (2 Tim. I: 9).
Die leeren: Dat in de Verkiezing tot het geloof deze voorwaarde tevoren vereischt wordt, dat de mensch het licht der natuur recht gebruike, vroom zij, klein, nederig en ten eeuwigen leven geschikt, gelijk alsof aan die dingen de Verkiezing eenigszins hinge. Want dit smaakt naar het gevoelen van Pelagius, en strijdt tegen de leer des Apostels, waar hij schrijft: Wij hebben eertijds verkeerd in de begeerlijkheden onzes vleesches, doende den wil des vleesches en der gedachten, en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen; maar God, die rijk is in barmhartigheid, door zijne groote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden), en heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus; opdat Hij zoude betoonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme (Eph. II: 3 — 9).
Die leeren: Dat de onvolkomene en niet-beslissende Verkiezing van bijzondere personen ter zaligheid geschied is uit het voorgezien geloof, bekeering, heiligheid, Godzaligheid, die óf eerst begonnen, óf ook eenen tijd lang geduurd hebben, maar dat de volkomene en beslissende Verkiezing geschied is uit de voor geziene volharding tot den einde toe in het geloof, bekeering, heiligheid en Godzaligheid; en dat dit is de genadige en Evangelische waardigheid, om welker wille hij, die verkoren wordt, waardiger is dan hij, die niet verkoren wordt; en dat derhalve het geloof, de gehoorzaamheid des geloofs, heiligheid, Godzaligheid en volharding niet zijn vruchten van de onveranderlijke Verkiezing ter heerlijkheid, maar dat het zijn voorwaarden, die tevoren vereischt, en als volbracht wezende voorzien zijn in degenen, die ten volle verkoren zullen worden, en oorzaken, zonder welke de onveranderlijke Verkiezing ter heerlijkheid niet geschiedt. Hetwelk strijdt tegen de geheele Schrift, die deze en diergelijke uitspraken in onze ooren en harten telkens inscherpt: De verkiezing is niet uit de werken, maar uit den roepende (Rom. IX: 11). Er geloofden zoovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven (Hand. XIII: 48). Hij heeft ons uitverkoren in hem, opdat wij zouden heilig zijn (Eph. I: 4). Gij hebt mij niet uitverkoren, maar ik heb u uitverkoren (Joh. XV: 16). Indien het door genade is, zoo is het niet meer uit de werken (Rom. XI: 6). Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en zijnen Zoon gezonden heeft (1 Joh. IV: 10).
Die leeren: Dat niet alle Verkiezing ter zaligheid onveranderlijk is; maar dat sommige uitverkorenen, niettegenstaande eenig besluit Gods, kunnen verloren gaan, en gaan ook eeuwiglijk verloren. Met welke grove dwaling zij God veranderlijk maken, en den troost der Godzaligen, dien zij scheppen uit de vastigheid van hunne Verkiezing, omstooten, en de Heilige Schrift wederspreken, welke leert: Dat de uitverkorenen niet kunnen verleid worden (Matth. XXIV: 24); dat Christus degenen, die hem van den Vader gegeven zijn, niet verliest (Joh. VI: 39); en dat God, die Hij tevoren verordineerd, geroepen en gerechtvaardigd heeft, deze ook heeft verheerlijkt (Rom. VIII: 30).
Die leeren: Dat er in dit leven geene vrucht en geen gevoel is van de onveranderlijke Verkiezing ter heerlijkheid; ook geene zekerheid, dan die hangt aan eene veranderlijke en onzekere voorwaarde. Want behalve dat het ongerijmd is, te stellen eene onzekere zekerheid, zoo strijdt dit ook tegen de bevinding der heiligen, die uit kracht van het gevoel van hunne Verkiezing zich met den Apostel verheugen, en deze weldaad Gods roemen (Eph. I); die volgens Christus' vermaning zich met de discipelen verblijden, dat hunne namen in den hemel geschreven zijn (Luc. X: 20); die ook het gevoel van hunne Verkiezing stellen tegen de vurige pijlen van de aanvechtingen des duivels, vragende: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? (Rom. VIII: 33).
Die leeren: Dat God van niemand louter uit kracht van zijnen rechtvaardigen wil besloten heeft, hem in den val van Adam en in den gemeenen stand der zonde en verdoemenis te laten, of in de mededeeling van de genade, die tot het geloof en de bekeering noodig is, voorbij te gaan. Want dit staat vast: Hij ontfermt zich, wiens Hij wil, en verhardt, wien Hij wil (Rom. IX: 18). En ook dit: Het is u gegeven de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven (Matth. XIII: 11). Insgelijks: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt ze den kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want alzoo is geweest het welbehagen voor U (Matth. XI: 25, 26).
Die leeren: Dat de oorzaak, waarom God tot het eene volk meer dan tot het andere het Evangelie zendt, niet is louter en eeniglijk het welbehagen Gods, maar omdat het eene volk beter en waardiger is dan het andere, aan hetwelk het Evangelie niet wordt medegedeeld. Want dit ontkent Mozes, het Israëlietische volk aldus aansprekende: Zie, des Heeren uws Gods is de hemel, en de hemel der hemelen, de aarde, en al wat daarin is. Alleenlijk heeft de Heere lust gehad aan uwe vaderen, om die lief te hebben; en heeft hun zaad na hen, ulieden, uit alle volken verkoren, gelijk het te dezen dage is (Deut. X: 14, 15). En Christus: Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda; want zoo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en assche bekeerd hebben (Matth. XI: 21).