Oude Testament · Wet
Genesis 16 - Statenvertaling
Hoofdstuk 16 van 50 in Genesis · 16 verzen
1Doch Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar.
2Zo zeide Sarai tot Abram: Zie toch, de HEERE heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai.
3Zo nam Sarai, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, ten einde van tien jaren, welke Abram in het land Kanaan gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw.
4En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag, dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouw veracht in haar ogen.
5Toen zeide Sarai tot Abram: Mijn ongelijk is op u; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven; nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen; de HEERE rechte tussen mij en tussen u!
6En Abram zeide tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.
7En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur.
8En hij zeide: Hagar, gij, dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sarai!
9Toen zeide de Engel des HEEREN tot haar: Keer weder tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen.
10Voorts zeide de Engel des HEEREN tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden.
11Ook zeide des HEEREN Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en gij zult zijn naam Ismael noemen, omdat de HEERE uw verdrukking aangehoord heeft.
12En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen.
13En zij noemde den Naam des HEEREN, Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens! want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet?
14Daarom noemde men dien put, den put Lachai-Roi; ziet, hij is tussen Kades en tussen Bered.
15En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, die Hagar gebaard had, Ismael.
16En Abram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismael aan Abram baarde.
Bijbeltekst: Statenvertaling, publiek domein.
Over Genesis 16
- Bijbelboek
- Genesis, boek 1 van 66
- Testament
- Oude Testament
- Genre
- Wet
- Plaats in het boek
- Hoofdstuk 16 van 50
Kruisverwijzingen bij Genesis 16
Andere bijbelteksten die over hetzelfde spreken, de meest genoemde eerst.
- Psalm 139:1-12bij vers 13
- Genesis 32:30bij vers 13
- Spreuken 15:3bij vers 13
- Exodus 2:23-24bij vers 11
- Exodus 3:7bij vers 11
- Jesaja 7:14bij vers 11
- Galaten 4:24bij vers 1
- Genesis 17:20bij vers 10
- Genesis 21:20bij vers 12
- Genesis 25:18bij vers 12
- Genesis 3:9bij vers 8
- Genesis 12:16bij vers 1
Kruisverwijzingen: OpenBible.info (CC BY), bewerkt: gefilterd en omgezet naar de versnummering van deze vertaling. Versnummering via STEPBible TVTMS (CC BY 4.0).