Bronnen

Klein vragenboekje voor kinderen

Ledeboer

Vragen en antwoorden

1

Wie heeft u geschapen?

God.

2

Wie is God?

Een allervolmaaktste Geest.

3

Hoe moet God gediend worden?

In geest en waarheid.

4

Kunt gij dat?

Neen ik.

5

Waarom niet?

Omdat ik Hem niet ken.

6

Hoe komt dat, dat gij uw Schepper niet kent?

Door de zonde.

7

Wat is zonde?

Ongehoorzaamheid tegen God.

8

Wat eischt God van ons?

Dat wij Hem lief zullen hebben boven alles.

9

Wat hebben wij lief?

De zonde en de wereld.

10

Hoe is de zonde in de wereld gekomen?

Door de ongehoorzaamheid van onze eerste ouders Adam en Eva.

11

Waar is die zonde begaan?

In het Paradijs.

12

Wat was de eerste zonde?

Het eten van den verboden boom.

13

Wat is daarop gevolgd?

De dood en het verderf.

14

Waarin bestaat het verderf?

In geheele onmacht en onwil ten goede.

15

Wat is de grootste ellende?

Zijne ellende niet te gevoelen.

16

Is dat noodzakelijk?

Ja. Jer. 3 : 13, Alleen kent uwe ongerechtigheid.

17

Hoe komt men aan die kennis?

Door het ontdekkend licht des Heiligen Geestes.

18

Waarin openbaart zich die rechte kennis?

In zich zelven schuldig te kennen en God te billijken in Zijne straffen.

19

Welke is die straf?

Het eeuwig verderf.

20

Waar zal dat zijn?

In de hel.

21

Wat is de hel?

Een poel die brandt van vuur en sulfer.

22

Wie komen daar?

Onbekeerde menschen en kinderen.

23

Wat is dat onbekeerd te zijn?

Gods gunst en zalige gemeenschap te missen.

24

Waarin openbaart zich dat?

In God en onze naasten te haten.

25

Kunnen wij uit dien toestand verlost worden?

Ja wij.

26

Op welke wijze?

Door waarachtige bekeering.

27

Wat is dat, bekeerd te worden?

Een nieuw hart te ontvangen.

28

Wie kan dat ons geven?

God alleen.

29

Wat is dat, een nieuw hart te ontvangen?

God lief te hebben boven alles.

30

Waarin bestaat dat meer?

In het haten van de zonde, dat daar van zelve mede gepaard gaat.

31

Waarin moeten wij de zonde haten?

In haren oorsprong.

32

Wat is de oorzaak der zonde?

De begeerlijkheid.

33

Waarin bestaat de kwade begeerlijkheid?

In iets anders te begeeren dan hetgeen God wil, dat wij begeeren zullen.

34

Wat wil God, dat wij begeeren zullen?

Hem alleen.

35

Mogen wij dan geen spijs of drank begeeren?

Ja, maar om er door tot God opgeleid te worden.

36

Wat is dat, door spijs en drank tot God opgeleid te worden?

Dat wij Hem erkennen als den Gever van hetzelve.

37

Waarom geeft God ons die spijze en dien drank?

Om Hem te dienen.

38

Wat is dat, God te dienen?

Ziel en lichaam Hem over te geven tot Zijnen wille.

39

Hoe kan dat geschieden?

Door wedergeboorte.

40

Wat is dat, wedergeboorte?

Eene geheele verandering van den mensch in al zijne genegenheden.

41

Wie kan dat werken?

God door Zijn Woord en Geest.

42

Moeten wij Hem ook om dien Geest bidden?

Ja gewisselijk.

43

Hebben wij grond daartoe?

Ja, in onzen doop.

44

In wiens naam zijt gij gedoopt?

In den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.

45

Is dat genoeg, dat gij gedoopt zijt?

Neen, ik moet gewasschen worden van mijne zonden in het bloed van den Heere Jezus.

46

Waar heeft Hij dat gestort?

Op Golgotha, aan het vloekhout des kruises.

47

Waarom stierf de Heere Jezus aan het kruis?

Om de zonden Zijn volks.

48

Wat is de grootste zonde?

Ondankbaarheid en ongehoorzaamheid.

49

Waar heeft God ons Zijne geboden gegeven?

Allereerst in ons hart, dat getuigt ons geweten.

50

Wat is ons hart geworden door de zonde?

Eene woonplaats der duivelen.

51

Wie heeft den duivel den kop vermorzeld?

De Heere Jezus Christus.

52

Wie is gekomen om de werken des duivels te verbreken?

De Heere Jezus Christus.

53

Wat staat daar 1 Joh. 3 :8?

Hiertoe is de Zone Gods geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zoude.

54

Wat zijn de werken des duivels?

Liegen, lasteren en moorden.

55

Wat zegt de Heere van de leugenaars?

Dat Hij ze verdoen zal.

56

Kunnen zij, die de werken des duivels doen, wel in den hemel komen?

Neen.

57

Wie komen er in den hemel?

Die God en den Heere Jezus liefhebben.

58

Hoe moeten wij den Heere liefhebben?

Met ons gansche hart.

59

Wien hebben wij dat gegeven?

Den duivel en de wereld.

60

Wat moet er dan met ons gebeuren, zullen wij in den hemel komen?

De Heere Jezus moet woning in onze harten komen maken.

61

Moeten wij Hem daarom bidden?

Ja, want Hij heeft gezegd: „Zoek Mij terwijl Ik te vinden ben, roep Mij aan terwijl Ik nabij ben".

62

Is het genoeg als wij oud geworden zijn?

Neen, want ik ben geen oogenblik van mijn leven verzekerd.

63

Waar verzekert ons de Bijbel van?

Dat als wij onbekeerd sterven, wij in de eeuwige verdoemenis komen.

64

Wilt gij daar wezen?

Ik toon het met mijne werken van ja.

65

In welke werken toonen dat de kinderen?

In hunne ongehoorzaamheid aan God en hunne ouders.

66

Waar komen die kinderen, die alzoo blijven?

Bij de duivelen in de hel.

67

Mogen de kinderen wel spelen op de straat, of met andere ondeugende kinderen omgaan?

Neen, want ofschoon ik evenzoo verdorven ben, zou ik daar nog meer kwaad leeren.

68

Wat leeren de kinderen op straat?

Vloeken en vuile praat spreken.

69

Wat heeft de Heere van de vloekers gezegd?

Dat Hij niet onschuldig zal houden, die Zijnen Naam ijdellijk gebruiken.

70

Wat beteekent dat?

Dat Hij ze met de allerzwaarste straffen bezoeken zal, beide naar ziel en lichaam in de hel.

71

Wat moeten de kinderen dan doen?

Bidden, Gods Woord lezen en gehoorzaam zijn.

72

Wat moeten de kinderen bedenken?

Van alles wat ik doe, moet ik eenmaal rekenschap geven.

73

Waar staat dat?

Prediker 11 : 9.

74

Wat staat daar?

Maar weet dat God om alle deze dingen u zal doen komen voor het gericht.

75

Wat zegt de Heere van hen, die Hem vroeg zoeken?

Dat die Hem zullen vinden en een welgevallen van den Heere trekken.

76

En wat van die Hem haten?

Dat zij den dood liefhebben.

77

Waar staat dat?

Spreuken 8 : 35 en 36.

78

Wat staat daar in vers 35?

Want die Mij vindt, vindt het leven en trekt een welgevallen van den Heere.

79

Wat staat er in vs. 36?

Maar die (tegen) Mij zondigt, doet zijne ziel geweld aan; allen die Mij haten, hebben den dood lief.

80

Moeten de kinderen vroeg met den Bijbel zoeken bekend te worden?

Ja zij, omdat het Gods Woord is, en Hij ons dat bevolen heeft.

81

Kunnen wij dat verstaan?

Neen, daartoe hebben wij noodig de opening des harten door God den Heiligen Geest.

82

Wat heeft de Heere in den Bijbel laten beschrijven?

Den weg der zaligheid.

83

Door wien is de Bijbel geschreven?

God heeft dien door Zijnen Geest laten beschrijven.

84

Mogen wij daar wel bij of afdoen?

Neen, diens deel zoude afgedaan worden uit het boek des levens.

85

Waarover moeten wij het meest bekommerd zijn?

Of wij vergeving van zonden hebben ontvangen, door het bloed van den Heere Jezus.

86

Waarin bestaat het hoogste goed?

In het kennen en liefhebben van God.

87

Wat moeten wij het meeste vreezen?

De zonde.

88

Wie kunnen getroost sterven?

De bekeerde menschen en kinderen.

89

Wat moeten wij het eerst verlaten?

De wereld en hare begeerlijkheden.

90

Wat zal er van ons lichaam worden?

Tot het stof wederkeeren en van de wormen gegeten worden.

91

Wie kunnen alleen rijk genoemd worden?

Die eenen schat hebben in den hemel.

92

Wie willen de wereld gaarne verlaten?

Die den Heere Jezus tot hun deel hebben.

93

Wat zeide Asaf daarvan in den 73en Psalm?

Wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets op de aarde.

94

Wie zijn de gelukkigste menschen?

Die geen grooter geluk kennen en begeeren dan Gods wil te doen.

95

Wie zijn de ongelukkigste?

Die eigen wil en zin blijven doen.

96

Wat zal het einde daarvan zijn?

Het eeuwig verderf.

97

Maar wat zal het einde zijn der vromen?

De eeuwige zaligheid en heerlijkheid. Amen.