Oude Testament · boek 37 van 66
Haggaï
De tempel ligt in puin terwijl iedereen zijn eigen huis afwerkt.
- Genre
- Kleine profeten
- Omvang
- 2 hoofdstukken
- Kernverzen
- Haggaï 1:4 · Haggaï 1:6 · Haggaï 2:10
Waar gaat Haggaï over?
Haggaï gaat over de herbouw van de tempel in Jeruzalem na de ballingschap. De profeet roept het teruggekeerde volk op het stilgevallen werk te hervatten, en belooft dat God met hen is en dat de toekomst van Zijn huis groter zal zijn dan het verleden.
Haggaï is het meest precies gedateerde boek van de Bijbel: vier godsspraken, elk met dag en maand, verspreid over vier maanden in het jaar 520 v.Chr. Het tempelwerk ligt dan al zestien jaar stil.
Zijn diagnose is kort. Het volk zegt dat de tijd nog niet gekomen is, terwijl het ondertussen zijn eigen huizen van gewelfd hout voorziet. Haggaï wijst op de misoogsten en de lege beurzen: 'gij zaait veel, en gij brengt weinig in'. Wie zijn prioriteiten omkeert, houdt niets over.
Wat opvalt is de reactie. Anders dan bij vrijwel elke andere profeet luistert het volk werkelijk: drieëntwintig dagen na de eerste godsspraak wordt het werk hervat. De tweede godsspraak troost de ouderen die de eerste tempel nog kenden en dit een schamel geheel vinden - de heerlijkheid van dit laatste huis zal groter zijn dan van het eerste.
Wie schreef Haggaï?
Het boek is van de profeet Haggaï, die ook in Ezra 5:1 en 6:14 wordt genoemd als degene die samen met Zacharia het volk tot bouwen aanzette.
Over zijn afkomst en leeftijd zegt de Bijbel niets. Omdat hij de ouderen aanspreekt die de tempel van Salomo nog gekend hadden (2:3), hebben sommigen gedacht dat hij zelf tot die generatie behoorde; dat is niet meer dan een gissing. Het boek spreekt over Haggaï in de derde persoon, als een beknopt verslag van zijn optreden. Zijn naam hangt samen met het Hebreeuwse woord voor feest.
Wanneer is Haggaï geschreven?
In 520 v.Chr., het tweede jaar van de Perzische koning Darius. Elk van zijn vier boodschappen draagt een exacte datum, tussen de zesde en de negende maand van dat jaar.
In 538 v.Chr. had koning Kores de Joden toestemming gegeven terug te keren en de tempel te herbouwen. Het fundament werd gelegd, maar tegenstand van de omwonenden legde het werk stil (Ezra 3 en 4). Achttien jaar na het besluit van Kores leefde de kleine gemeenschap rond Jeruzalem in armoede, onder landvoogd Zerubbabel en hogepriester Jozua. Na de oproep van Haggaï en Zacharia werd de tempel in 515 v.Chr. voltooid (Ezra 6:15).
Opbouw van Haggaï
Haggaï 1Bouw het huis
Op de eerste dag van de zesde maand spreekt Haggaï de leiders en het volk aan. Het volk zegt dat het nog geen tijd is om te bouwen, maar woont zelf in fraai afgewerkte huizen. Haggaï vraagt hen hun wegen te overdenken: ze werken hard en houden niets over, omdat Gods huis woest ligt. Zerubbabel, Jozua en het volk luisteren, God wekt hun geest op, en binnen vier weken gaat het werk weer van start.
Haggaï 2Drie godsspraken
De tweede boodschap bemoedigt wie de nieuwe tempel schamel vindt naast die van Salomo: ze moeten sterk zijn en doorwerken, want Gods Geest staat in hun midden, en de heerlijkheid van dit huis zal groter worden. De derde leert via een vraag aan de priesters dat onreinheid besmettelijk is en heiligheid niet, en belooft zegen vanaf de dag van de fundering. De laatste belooft Zerubbabel dat God hem als een zegelring zal stellen.
Kernthema's in Haggaï
Gods zaak eerst
Haggaï legt een verband tussen de lege schuren en het verwaarloosde huis van God (1:6; 1:9-11). Het gaat niet om een stenen gebouw als doel op zich, maar om de vraag wat voorrang krijgt. Jezus zegt later iets vergelijkbaars: 'zoekt eerst het Koninkrijk Gods' (Mattheüs 6:33).
God is met Zijn volk
Tweemaal klinkt de belofte dat God met hen is: 'Ik ben met ulieden' (1:13) en 'Ik ben met u' (2:4). De kleine, arme gemeenschap hoeft het niet in eigen kracht te doen. Gods Geest staat in hun midden (2:5), zoals Hij ook bij de uittocht uit Egypte bij Zijn volk was.
Een heerlijker toekomst
God zal hemel en aarde doen beven en de volken in beweging zetten (2:6-7), en de heerlijkheid van dit laatste huis zal groter zijn dan die van het eerste (2:9). Zerubbabel, uit het huis van David, krijgt de belofte van een zegelring (2:23). Het kleine begin draagt een grote belofte.
Bekende gedeelten uit Haggaï
Is het nu tijd?
Haggaï 1:2-11De aanklacht tegen een volk dat de eigen huizen afwerkt terwijl Gods huis in puin ligt.
Het volk gehoorzaamt
Haggaï 1:12-15Een zeldzaam moment in de profetie: leiders en volk luisteren direct, en het werk begint opnieuw.
Wees sterk en werk
Haggaï 2:4-9Bemoediging voor wie de nieuwe tempel teleurstellend vindt, met de belofte van grotere heerlijkheid.
Rein en onrein
Haggaï 2:10-19Een les aan de priesters: onheiligheid besmet, heiligheid niet vanzelf. Daarna volgt de belofte van zegen.
De zegelring
Haggaï 2:20-23God verkiest Zerubbabel, een nakomeling van David, en zal hem stellen als een zegelring.
Haggaï in het geheel van de Bijbel
Haggaï hoort bij Ezra, waar de herbouw van de tempel verteld wordt, en bij zijn tijdgenoot Zacharia. De belofte aan Zerubbabel keert een eerder oordeel om: in Jeremia 22:24 zegt God dat Hij koning Chonja, Zerubbabels grootvader, als een zegelring van Zijn hand zou afrukken. Zerubbabel staat in beide geslachtsregisters van Jezus (Mattheüs 1:12; Lukas 3:27).
Hebreeën 12:26-27 citeert Haggaï 2:6 om te laten zien dat God alles wat wankel is zal doen beven, zodat het onwankelbare Koninkrijk overblijft. De Statenvertaling leest in 2:7 dat de 'Wens aller heidenen' zal komen en ziet daarin de Messias; andere vertalingen lezen hier de kostbaarheden van de volken. In de christelijke uitleg is de grotere heerlijkheid van dit huis verbonden met de komst van Christus in de tempel.
Studievragen bij Haggaï
Waarom is 'de tijd is nog niet gekomen' zo'n herkenbare drogreden?
Wat is het verband dat Haggaï legt tussen de stilstand en de misoogsten?
Hoe troost hij de ouderen die de eerste tempel nog gezien hebben?
Haggaï lezen
Haggaï is in tien minuten gelezen. Markeer de vier data (1:1; 2:1; 2:10; 2:20) en lees het boek als vier korte preken. Lees Ezra 5 en 6 erbij voor het verhaal eromheen, en daarna Zacharia 1-8, dat in dezelfde maanden begint. Stel jezelf bij 1:5 en 1:7 dezelfde vraag die Haggaï het volk stelt.